Syeniet

Syeniet lijkt sprekend op graniet. Het gesteente toont dezelfde kleuren en ook in korrelgrootte en structuur verschillen ze niet van elkaar. Wat is behalve de naam het verschil?

 

Het verschil is kwarts!

Syeniet is een middel- tot grofkorrelig magmatisch dieptegesteente dat weinig of geen kwarts bevat. Meer nog dan graniet bestaat syeniet uit kaliveldspaat. Plagioklaas komt in wisselende hoeveelheden voor, maar doorgaans in een geringer percentage dan in graniet. Het gehalte bedraagt meestal minder dan 10%. Neemt het percentage plagioklaas toe dan gaat syeniet over in monzoniet.

 

Porfierische graniet - Zwerfsteen van Gieten (Dr.)

Deze fraai rode porfierische graniet bestaat uit kaliveldspaat, kwarts en biotiet. Plagioklaas is nauwelijks aanwezig. 

Graniet is overzadigd aan kwarts. Minstens 20% van de minerale bestanddelen bestaat uit vrije kwarts.

 

Monzoniet - Zwerfsteen van Ellertshaar (Dr.)

In monzoniet is het gehalte aan plagioklaas ongeveer even groot of iets groter dan kaliveldspaat.  Kwarts komt in wisselende hoeveelheden voor. In Tönsbergiet maakt het minder dan 5% van alle bestanddelen uit.  

 

Syeniet - Zwerfsteen van Mommark, Fünen, Dk.

Syeniet lijkt in diverse opzichten op graniet. Kwarts is echter niet of nauwelijks aanwezig. 

Net als in graniet is plagioklaas in syeniet aanwezig als perthiet. Vrije plagioklaas is komt minder voor. Perthiet is een zeer fijne vergroeiing van kaliveldspaat en albiet, waarbij de lichtkleurige albiet heel fijne parallelle, ietwat onregelmatige verlopende lamellen vormt. Perthiet is weliswaar met het blote oog te zien, maar beter nog met een loep of onder een binoculair.

 

Perthiet in kaliveldspaat-eersteling - Zwerfsteen van Ellertshaar (Dr.)

Kaliveldspaat met perthiet in pegmatiet - Zwerfsteen van Gieten (Dr.)

Kaliveldspaat met perthiet - Zwerfsteen van Ellertshaar (Dr.)

 

 

Monzoniet is in zwerfsteenkringen goeddeels onbekend. Toch komt het gesteente als zwerfsteen regelmatig voor, zij het dat zwerfsteenliefhebbers het ‘syeniet’ noemen. Larvikiet is een bekend blauwgrijs gidsgesteente uit het Oslo-gebied in Zuid-Noorwegen en is een monzoniet. In verweerde vorm is Larvikiet wit. Vooral op gepolijste vlakken toont het gesteente opvallend blauwwit oplichtende veldspaten. Larvikiet is om dit decoratieve ‘Schiller-effect’ bekend. Het gesteente wordt in groeven geëxploiteerd en over de hele wereld verscheept. Larvikiet heeft het uiterlijk van syeniet, maar het gesteente bevat globaal evenveel kaliveldspaat als plagioklaas, vandaar de naam monzoniet.  Graniet met deze veldspaatverhouding noemt men monzo-graniet.

 

Larvikiet - Zwerfsteen van Gammel Pol, Als, Dk.

Larvikiet is een monzoniet. In het gesteente komen min of meer gelijke hoeveelheden plagioklaas en kaliveldspaat voor. Beide veldspaatsoorten zijn innig met elkaar vergroeid.

Larvikiet - Zwerfsteen van Ellertshaar (Dr.)

Het plagioklaasgehalte is oorzaak dat Larvikiet wit verweert. Het verweerde oppervlak is vaak ruw en geeft poederig af. 

 

Larvikiet, gepolijst met Schiller-effect - Tvedalen, Noorwegen

Het karakteristieke parelmoer-achtige oplichten van de veldspaten in larvikiet wordt het 'Schiller-effect' genoemd. Het iriseren heeft niets te maken met het bekende labradoriseren van plagioklaas in sommige basische gesteenten. Bij de exploitatie van Larvikiet houdt men rekening met de oriëntatie van de veldspaten in het gesteente om maximaal te profiteren van de weerschijn van de veldspaten.

 

Larvikiet, donker type, gepolijst - Klastad, Zuid-Noorwegen

Aan de zuidkust van Noorwegen, in de landstreek Tjölling, wordt in steengroeven bij Klastad een zeer donker, zwartgroen tot zwartblauw type Larvikiet gewonnen. Het 'Schiller-effect' wordt door dit Larvikiet-type bijzonder fraai getoond.

 

De Nijl bij Assoean (Aswan) in Egypte

Het gebergte op de achtergrond bestaat voornamelijk uit graniet. Vooral de rode granietvariëteiten waren gewild. Ook nu nog wordt in groeven bij Assoean graniet gewonnen, alhoewel de toepassing een heel anders zijn dan vroeger. In gepolijste vormt maakt met er vloer- en wandtegels van. Ook voor aanrechten wordt het veel gebruikt.

De nabijheid van de Nijl was voor de Egyptenaren destijds van grote betekenis. Het afvoeren van grote granieten ornamenten, waaronder obelisken, ging per schip.

 

 

In één van de granietgroeven bij Aswan ligt een onvoltooide obelisk. De mensen die er op staan geven een indruk van de grootte van het object. Het geschatte gewicht van de obelisk bedraagt ongeveer 1160 ton! De obelisk is onvoltooid gebleven, omdat in het gesteente scheuren optraden. 

Naast obelisken en andere ornamenten haalde men uit de granietgroeven rond het oude Syene veel granieten bouwblokken. Veel rode en donkergrijze granietblokken in de pyramiden en in tempels bij Giza komen hier vandaan.

 

 

Groeve in Aswan-graniet bij Aswan (Assoean = Syene) aan de Nijl in Egypte

Bij de oude Egyptenaren was de rode graniet van Syene erg in trek. Het diaklaassysteem in de graniet maakte het mogelijk om uit de wanden van de groeves indrukwekkende, tientallen meters lange obelisken te hakken.

 De hoornblende-graniet van Syene , waaruit met deze obelisken hakte, werd vroeger abusievelijk syeniet genoemd. 

Granietgroeve in Aswan-graniet bij Aswan aan de Nijl in Egypte

Veel dingen uit het oude Egypte wachten nog op een verklaring. Zo is het niet duidelijk hoe men met primitieve gereedschappen (zwarte klopstenen van diabaas, koperen en/of bronzen beitels, wiggen en hamers) enorme ornamenten als obelisken en sarcofagen uit keihard graniet kon vervaardigen. De nauwkeurigheid en de maatvastheid laten zien dat men in die tijd over technieken beschikte, die weliswaar onbekend zijn, maar die getuigen van een technische kennis die vandaag de dag niet zou misstaan.

 

Onvoltooide obelisk in een granietgroeve bij Aswan (Assoean) aan de Nijl in Egypte

 De technieken die men bij het maken  gebruikte zijn onbekend. Duidelijk is wel dat in de smalle werkspleten opzij van de obelisk steenhouwers onmogelijk met hun primitieve gereedschappen hebben kunnen werken.

Bewerkingssporen op graniet in een granietgroeve bij Aswan

Zowel op de obelisk als op de liggende en staande granietoppervlakken zijn merkwaardige napvormige uithollingen zichtbaar. Ze liggen vaak in rijen boven en naast elkaar. Deze bewerkingssporen zijn beslist niet veroorzaakt door ronde klopkeien van doleriet. Ook met bronzen gereedschap was men niet in staat om dergelijke verticale sporen in de graniet achter te laten. De sporen lijken te duiden op machinale bewerking, alsof men met bandschuurmachines graniet heeft weggeschuurd. 

 

Aswan-graniet, ruw breukvlaK - Aswan, Egypte

Aswan-graniet is een hoornblende-graniet. Het gesteente bij deze plaats was naamgevend voor de gesteentesoort syeniet. Het betreft echter geen syeniet, maar een hoornblende-graniet.

Op het  breukvlak zijn de afzonderlijke mineralen goed te onderscheiden. De rode en witte delen in het gesteente worden ingenomen door respectievelijk kaliveldspaat en plagioklaas. Kwarts vormt heldere tot lichtgrijze onregelmatige kristallen. Het zwarte mineraal is een combinatie van hoornblende en biotiet.

Aswan-graniet - Aswan, Egypte

Verweringsoppervlak van deze graniet. Het witte mineraal is plagioklaas. Het kleurige, rozerode bestanddeel is kaliveldspaat . Kaliveldspaat vormt verspreid in het gesteente enigszins onregelmatig begrensde, tabletvormige eerstelingen. Het zwarte bestanddeel is biotiet vergezeld van hoornblende.

Aswan-graniet - Aswan, Egypte

Van Aswan-graniet bestaan een aantal variëteiten. Deze verschillen vooral in kleur, maar ook in structuur. De rode varianten zijn het meest in trek. Bij het type op de foto zijn de twee veldspaatsoorten door hun kleurverschil goed van elkaar te onderscheiden. In sommige delen van het Precambrische granietcomplex bij Aswan is het granietgesteente gedeformeerd tot gneisgraniet. 

Aswan-graniet - Aswan, Egypte

Bij Aswan worden ook intensief oranjerode tot donkerrode granieten gewonnen. De granietblokken worden in platen gezaagd en vervolgens gepolijst. Aswan-graniet wordt veel geëxporteerd. 

Gewone syeniet bevat net als graniet donkere mineralen. Vaak is dit biotiet, maar meer nog dan in graniet gaat dit glimmermineraal in syeniet vergezeld van hoornblende of het groenzwarte omzettingsproduct ervan, chloriet. In sommige syenieten, vooral die uit het Oslo-gebied in Zuid-Noorwegen, komt ook pyroxeen (augiet) voor, naast titaniet en veldspaatvervangers. Uit het Oslo-gebied komen trouwens meer bijzondere syenieten. Deze zijn, zij het zeldzaam, ook als zwerfsteen te vinden. Het begrip ‘veldspaatvervanger’ speelt in Oslo-syenieten een belangrijke rol. Dit begrip wordt bij de bespreking van Oslo-syenieten, verderop in dit hoofdstuk, uitgelegd.

Hoe komt syeniet in de aardkorst voor?

Syeniet vormt doorgaans kleine voorkomens. Ook in het herkomstgebied van onze zwerfstenen in Scandinavië, liggen de voorkomens van syeniet erg verspreid. Ook hier zijn de voorkomens klein en bovendien niet talrijk. Syeniet komt gewoonlijk voor samen met andere dieptegesteenten. Vaak is dit graniet, waar het voorkomens vormt aan de randen van grote graniet-intrusies. Daarnaast vormt het gesteente ook zelfstandige voorkomens in de aardkorst. Het kan namelijk langs verschillende wegen en op verschillende manieren ontstaan, als gevolg van gecompliceerde differentiatie- en assimilatieprocessen. Vaak is niet precies aan te geven hoe deze processen in de aardkorst zijn verlopen.

 

 

Het voorkomen van syeniet in samenhang met graniet is eveneens bijzonder. Beide gesteenten verschillen in chemische samenstelling en vooral in het percentage vrije kwarts. Bij het ontstaan van syeniet als randfacies van graniet moeten langs chemische weg stoffen zijn afgevoerd en aangevoerd. Vooral silica (SiO2) speelt hierbij een rol. Graniet bevat een hoog percentage silica. Het is er zelfs aan oververzadigd. Reden waarom in graniet vrije kwarts aanwezig is en in syeniet niet of nauwelijks. Om syeniet te vormen zou een grote hoeveelheid silica moeten worden afgevoerd, terwijl stoffen als magnesium, ijzer, mangaan, kalk en natrium moeten zijn aangevoerd. Dit alles kan plaatsvinden als bij de vorming van syeniet delen van het omringende gesteente opsmelten, waarbij bestanddelen in het granietmagma worden opgenomen. De samenstelling van het magma verandert hierdoor. Het teveel aan silica in graniet wordt gebruikt bij de vorming van andere mineralen die in syeniet voorkomen. Het opsmelten van omringend gesteente is niet altijd noodzakelijk. Ook door diffusie kunnen bestanddelen uit het omgevende gesteente naar het magma migreren en omgekeerd, waardoor dit in zekere zin ‘vervuilt’. Dit proces noemt men assimilatie.

 

Albiet-syeniet

Het komt geregeld voor dat verzamelaars vondsten van zwerfsteen-syeniet melden, die in feite metamorfe gesteenten blijken te zijn. Het zijn niet de meest voorkomende zwerfsteensoorten, maar zowel in West- als in Oost-Baltische zwerfsteengezelschappen worden albiet-syenieten regelmatig gevonden. Het zijn vaak grof- tot grootkorrelige, soms ook porfierische gesteenten, die door een omzettingsproces (metasomatose)uit graniet zijn ontstaan.

In zwerfsteenopzicht vormen deze albiet-syenieten een bijzondere groep gesteenten. Zwerfstenen zijn door verwering aan de buitenzijde opmerkelijk licht van kleur, soms zelfs geheel wit. Het gesteente toont overigens veel overeenkomst met graniet. Kwarts ontbreekt of het is slechts in een gering percentage aanwezig. Veldspaat is het belangrijkste bestanddeel. Bijzonder is dat het geen kaliveldspaat betreft, maar plagioklaas. Op het breukvlak is dit mineraal troebel roomwit, grijs, rose, oranje of meer roodachtig. Op het breukvlak spiegelen de splijtvlakken opmerkelijk zwakker dan bij kaliveldspaat.

De witte verweringskleur, de aanwezige tweelingstreping, de matte glans en de kleur van de veldspaat op het breukvlak maakt dat we hier hoogstwaarschijnlijk met albiet te maken hebben, hoewel dit macroscopisch niet met zekerheid te zeggen valt. Kaliveldspaat komt slechts in een gering percentage voor, maar is dikwijls ook afwezig.  

De aanwezigheid van kleine verspreid voorkomende aggregaten van grasgroene epidoot en donkergroene chloriet, vergezeld van wat magnetiet maakt duidelijk dat we hier niet met normale stollingsgesteenten te maken hebben. Deze albiet-syenieten zijn door af- en aanvoer van stoffen via microporiën langs hydrothermale weg ontstaan. Het oorspronkelijke gesteente was ongetwijfeld graniet. Albiet-syeniet is in feite dus metamorf. Voorkomens in Scandinavië van dit gesteente zijn tot dusver niet bekend. Mogelijk vormen ze op verschillende plaatsen zeer kleine voorkomens in of aan de randen van graniet.

 

Albiet-syeniet - Zwerfsteen van het Hoge Veld, Norg (Dr.)

 

Albiet-syeniet, detail van de steen links

Albiet-syeniet - Zwerfsteen van het Hoge Veld bij Norg (Dr.)

 

Albiet-syeniet - Zwerfsteen van Wippingen(Dld.)

Type met rose veldspaat. 

 

Albiet-syeniet, detail van de foto hiernaast

Verspreid in het gesteente komen aggregaten van groene epidoot voor. De zwartgroene velkken zijn van chloriet. 

 

 

Albiet-syeniet - Zwerfsteen van Haddorf (Dld.)

Albiet-syeniet - Zwerfsteen van Mommark, Als (Dk.)

 

 

Zweedse Helsinkiet

Een zwerfsteentype dat al sinds jaar en dag bij verzamelaars bekend staat onder de naam Zweedse Helsinkiet, is net als abiet-syeniet een syenietisch gesteente dat door metasomatose is ontstaan. Zweedse Helsinkiet is door zijn kleurcombinatie rood (kaliveldspaat) en groen (epidoot) een bijzonder aantrekkelijk gesteente. Sommige vormen worden ook wel unakiet genoemd, naar het voorkomen in de Unakas Mountains in Noord-Carolina in de USA. Zweedse Helsinkiet heeft het uiterlijk van een (porfierisch) magmatisch gesteente, dat door zijn rijkdom aan kaliveldspaat en het ontbreken van kwarts aan syeniet doet denken.

Hoofdbestanddeel in de meeste Zweedse Helsinkieten is rode kaliveldspaat. Groene epidoot vult de ruimten tussen de veldspaten op, vaak in gezelschap van zwartgroene chloriet, biotiet en enige magnetiet. Pistache groene epidoot vormt fijnkristallijne aggregaten tussen de veldspaten. Soms is het fraai radiaalstralig. Epidoot is hydrothermaal door omzetting uit plagioklaas ontstaan. Dit mineraal ontbreekt dan ook vrijwel volledig. Kaliveldspaat bleef onaangetast. Kwarts komt soms voor, maar ontbreekt vaak geheel. Omdat Zweedse Helsinkiet lokaal op alle mogelijke plaatsen in het Zweeds/Finse grondgebergte kleine voorkomens vormt, hoeft het niet te verbazen dat de variatie onder zwerfstenen bijzonder groot is. Niet zelden hebben we met roodgroene kataklasieten te maken.  

 

Zweedse Helsinkiet - Zwerfsteen van Gieten (Dr.)

Zweedse Helsinkiet - Zwerfsteen van Gieten (Dr.)

Zweedse Helsinkiet - Zwerfsteen van Johannistal, Oostzee (Dld.)

 

Syeniet ontstaat ook door magma-differentiatie. Dit is een proces dat optreedt als de temperatuur van magma daalt en kristallisatie begint. De meeste magma’s vormen een soort vloeibare brij van gesmolten gesteente en kristallen. Compacte, zwaardere kristallen van ijzer- en magnesiumrijke mineralen zakken naar de bodem van het magma-reservoir, terwijl lichtere mineralen, afhankelijk van hun soortelijke massa, inhet magma omhoog stijgen en hogerop in het reservoir lagen boven elkaar vormen. Magma-differentiatie treedt vooral op bij basische, basaltische magma’s. Dit type magma bezit een vrij lage viscositeit, waardoor kristallen makkelijker kunnen migreren. Na kristallisatie van het magma zijn in het magmareservoir een aantal gesteentesoorten ontstaan, waaronder syeniet, die in samenstelling van elkaar verschillen en min of meer laagsgewijs boven elkaar liggen.

Verder komen syenieten voor in riftgebieden, vooral de meer exotische typen. Dit zijn plaatsen in de aardkorst waar, door spanningen, diep reikende breuksystemen zijn ontstaan, waarlangs repen aardkorst naar onderen wegzakken. Bij het plutonisme en vulkanisme dat hierbij optreedt, ontstaan gesteenten met een bijzondere samenstelling, waaronder een reeks bijzondere syenieten. Deze onderscheiden zich van normale syenieten door hun afwijkende mineralogische samenstelling. 

 

Rhombenporfier 2x

Klik hier om een tekst te typen.

Nordmarkiet

Kjelsasiet? 

Nefeliensyeniet

Syeniet als zwerfsteen

Zwerfstenen van syeniet zijn zeldzaam. In het Hondsruggebied komen ze bijzonder weinig voor. Dit ligt aan het herkomstgebied van de zwerfstenen daar. Syeniet-gesteenten komen in het Noord-Balticum (Finland, Noord-Zweden en de Botnische Golf) bijzonder weinig voor. In westelijk Drenthe en in Friesland komen syenieten iets vaker voor. Zwerfstenen in die gebieden stammen voornamelijk uit Midden- en Zuid-Zweden en voor een klein deel uit Zuid-Noorwegen. Uit deze streken zijn meer syenieten te verwachten.

Foto's Väggeryd-syenieten, hoornblende-syeniet e.d.

 

Syenieten uit het Oslo-gebied

Syenieten uit het Oslo-gebied in Zuid-Noorwegen hebben bij zwerfsteenverzamelaars een bijzondere klank. Niet alleen zijn zwerfstenen uit Noorwegen in ons land zeldzaam, sommige zijn zelfs zeer zeldzaam, ze hebben dikwijls ook een eigen uiterlijk en bezitten een bijzondere samenstelling.

Het Oslo-gebied in Zuid-Noorwegen, met de stad Oslo min of meer in het centrum, is onderdeel van een oude slenk ofwel een riftzone. Het is een betrekkelijk klein gebied van ongeveer 220 km lang en maximaal 60 km breed. Langs diep reikende breuken, zijn trapsgewijs smalle repen aardkorst weggezakt tijdens het Laat-Carboon en het Perm.

Diagram riftzone Oslo

Het ontstaan van de Oslo-slenk, samen met vergelijkbare gebieden in Europa, vormde de nasleep van de Laat-Carbonische Variscische gebergtevorming. Door plaatbotsingen ontstonden op tal van plaatsen in Europa gebergten. Het Zwarte Woud, de Vogezen, het Fichtelgebergte, het Ertsgebergte en andere middelgebergten dateren uit die tijd. Sinds hun ontstaan zijn deze hooggebergten afgesleten tot heuvelachtige rompgebergten. De krachten die bij plaatbotsingen optraden veroorzaakten rekspanningen in de aardkorst. In Zuid-Noorwegen ontstond hierdoor een smalle riftzone met breuken. De breuken in de slenk snijden door de hele aardkorst tot in de onderliggende mantel, op meer dan 30km diepte. Zonder verder op details in te gaan blijkt dat de daling in het noorden van de Oslo-slenkca. 1000m heeft bedragen, in het zuiden oplopend tot bijna 3000m. De bodemdaling werd voor het grootste gedeelte gecompenseerd door opvulling met vulkanische gesteenten.

De aardkorstverdunning, die het gevolg was van rekverschijnselen in de breukzone, was de directe oorzaak dat delen van de onderliggende mantel begonnen te smelten. Het basaltisch magma dat hierbij ontstond, verzamelde zich in grote magmakamers op ruim 30km diepte langs de MOHO-grens. De hoge temperatuur van het magma (ca. 1300oC) was oorzaak dat gesteenten uit de onderste aardkorst opsmolten. Het gesmolten aardkorstmateriaal werd deels door het basaltische stammagma opgenomen, waardoor dit van samenstelling veranderde.

Foto  basaltvoorkomens en basalten en berg Kolsas plus kolsas-type

De ontwikkeling van het riftsysteem in Noorwegen valt uiteen in drie fasen. De eerste fase begon al in het Laat-Carboon. Vulkanische uitbarstingen produceerden langs spleeterupties grote hoeveelheden basaltlava. Deze vormden plateaubasalten. Rhombenporfieren en het syenietisch dieptegesteente Larvikiet, vormden samen met de verwante lardaliet en andere nefelien-syenieten, een tweede fase. Deze fase vond plaats na de vorming van plateaubasalten in het Laat-Carboon. Er is toen, ook langs spleeterupties, gigantisch veel rhombenporfierlava geproduceerd. De lava kon door zijn bijzondere gehalte aan fluor vrij makkelijk over het vlak golvende landschap uitvloeien. Tijdens achtereenvolgende vulkanische fasen zijn tientallen rhombenporfierdekken gevormd, elk met zijn kenmerken.

Foto's rhombenporfieren 

De slotfase van het riftvulkanisme in het Oslo-gebied wordt gemarkeerd door de vorming van een groot aantal centrale eruptiepunten. Deze groeiden uit tot imposante stratovulkanen. Het silicarijke magma dat toen uitgestoten werd, was aanleiding tot zeer explosieve uitbarstingen. Uit de afzettingen van begeleidende pyroklastische stromen zijn destijds tal van ignimbrieten gevormd. Door het instorten van de magmareservoirs onder het vulkaanlichaam ontstonden vervolgens grote caldera’s, waarin naderhand verdere verzakkingen plaats vonden. Het gevolg hiervan was dat magma langs de ringvormige breuken in de caldera’s naar boven kon opdringen. De karakteristieke inzakkingsstructuren met hun ringvormige intrusies noemt men cauldrons. Afhankelijk van de samenstelling van het magma van de intrusies komen in deze cauldrons gesteenten voor als basalt, ignimbriet, rhombenporfier, syenietporfier, syeniet en zelfs graniet (Ekeriet).

Foto's basalt, ignimbriet, rhombenporfierlava, syenietporfier en ekeriet

De rekspanningen in de Oslo riftzone doofden in het Vroeg-Trias uit. Hiermee kwam een eind aan het bij tijden spectaculaire vulkanisme in het Oslogebied. Sindsdien verkeert het gebied in rust en kon erosie zijn werk doen. Dit heeft het bestaande vulkanische reliëf vergaand aangetast. Van de indrukwekkende vulkanen die het landschap vroeger sierden is in het Noorse landschap niets meer te zien. Alleen een reeks gesteenten die hiermee verband houdt, ligt nog aan het aardoppervlak.

 

Op diepere niveaus in de riftzone zijn in en vanuit grote magmareservoirs tal van plutonieten (=dieptegesteenten) en ganggesteenten ontstaan. Door assimilatie van onder meer omringende kalkgesteenten, veranderde de samenstelling van het magma plaatselijk. Dit gaf aanleiding tot de vorming van een uiteenlopende reeks verschillende dieptegesteenten, waaronder granieten, syenieten, monzonieten en nefelien-syenieten. Deze laatste hebben als kenmerk dat het gesteente naast kaliveldspaat mineralen bevat die bekend staan als veldspaatvervangers. Deze noemt men in de geologie foïden. Het mineraal nefelien is zo’n foïd of veldspaatvervanger. Larvikiet, Lardaliet, Foyaiet, en meer korrelige soorten bevatten meer of minder nefelien. Door erosie liggen deze syenieten in het Oslo-gebied op verschillende plaatsen aan het aardoppervlak.


Verdieping


Veldspaatvervangers ofwel foïden

De chemische samenstelling van magma is bepalend voor de gesteenten die na kristallisatie ontstaan. Kiezelzuur ofwel silica (SiO2) is een zeer belangrijk bestanddeel. Bij de vorming van kristallen vormt het samen met een aantal andere elementen karakteristieke verbindingen. Mineralen die hieruit ontstaan noemt men silicaten. Kaliveldspaat, biotiet en hoornblende zijn veel voorkomende silicaten, evenals plagioklaas, granaat en muscoviet.

Foto's nefelien, nefelienbasalt en nefeliensyeniet

Als magma verzadigd is aan silica, ontstaan daaruit kwartsvrije gesteenten, zoals syeniet. Is het aan kiezelzuur oververzadigd, dan blijft er naast de vorming van silicaten voldoende silica over om zelf kristallen te vormen. Deze herkennen wij als vrije kwarts. Graniet met zijn overmaat aan kwarts is gevormd uit magma dat aan silica oververzadigd was.

Magma kan ook onderverzadigd zijn aan kiezelzuur. Bij kristallisatie zal alle beschikbare silica (SiO2) gebruikt worden voor de vorming van veldspaat, biotiet, hoornblende en dergelijke, maar er is te weinig aanwezig om alle veldspaten te vormen. Er ontstaan kristallen van onderverzadigde veldspaten. Men noemt deze veldspaatvervangers ofwel foïden.

Een heel bekend type veldspaatvervanger is het mineraal nefelien. Dit mineraal komt regelmatig voor in sommige basaltgesteenten en ook in sommige syenieten. Nefelien verweert snel, waardoor het bij sterk verweerde zwerfstenen putten in het oppervlak na laat. Op het verse breukvlak kleurt nefelien rookbruin of grijsbruin. Het glanst enigszins spekachtig.

 

De aanwezigheid van veldspaatvervangers als nefelien heeft belangrijke consequenties voor gesteenten. Kwarts en nefelien komen nooit samen in hetzelfde gesteente voor. Beide mineralen sluiten elkaar uit. In het Oslo-gebied in Zuid-Noorwegen komen talrijke nefelien-syenieten voor. Het zijn meest licht- tot donkergrijze gesteenten, soms ook blauw- of roodachtig, in een enkel geval zelfs groenzwart. In ons land zijn hiervan zwerfstenen gevonden. De bekendste nefelien-syenieten zijn Lardaliet en Foyaiet.

Foto's lardaliet en andere nefeliensyenieten

Een heel bekende ‘syeniet’ is Larvikiet. Feitelijk is Larvikiet geen syeniet maar een op syeniet gelijkende monzoniet. Sommige varianten van dit gesteente tonen een prachtige blauwwitgroene schittering (=Schillerisatie ofwel Schiller-effect), veroorzaakt door lichtverstrooiing in de veldspaten. Het gesteente wordt onder de naam 'labrador' veel als natuursteen toegepast. In het Oslo-gebied wordt Larvikiet op verschillende plaatsen in grote steengroeven gewonnen. Elk type wordt verhandeld onder een eigen handelsnaam.

Foto's larvikiet, groeven en natuursteensoorten 

Naast volkomen kwartsvrije syenieten zijn uit het Oslo-gebied zijn ook kwartshoudende tot kwartsrijke syenieten bekend. Een voorbeeld van een kwartshoudende syeniet is Nordmarkiet. De kwartsvrije vorm wordt in zwerfsteenkringen wel ‘Pulaskiet’ genoemd. Nordmarkiet komt in het Oslo-gebied op verschillende plaatsen voor. Het gevolg hiervan is dat van dit gesteente talloze varianten voorkomen. Vrijwel nergens zijn scherpe grenzen tussen de verschillende typen te trekken. Dit geldt overigens ook voor de meest andere Oslo-syenieten. Nordmarkiet gaat bij toename van het percentage kwarts onmerkbaar over in graniet (Ekeriet). Hetzelfde zien we bij Lardaliet, een grootkorrelige nefelien-syeniet, die overgangen naar Larvikiet laat zien.

 

Onderstaande foto’s geven een beeld van de grote variatie aan syeniet-typen uit het Oslo-gebied in Zuid-Noorwegen.

Foto's Nordmarkiet, Pulaskiet, Larvikietvarianten, Kjelsasieten, Tönsbergieten, Lardalieten, foyaieten.