Bijzondere vondsten

Veel mensen zoeken stenen en/of fossielen. Doe je dit in Nederland, dan zijn het vaak zwerfstenen die in de ijstijdperiode met het gletsjerijs uit Scandinavië naar ons land vervoerd zijn. In Oost-, Midden- en Zuid-Nederland hebben we te maken met rivierstenen. Deze (grind)stenen zijn in het verleden door voorlopers van rivieren als de Elbe, de Wezer, de Rijn en de Maas naar ons land zijn getransporteerd. 

 

Schokkegels in porfierische rapakivi-graniet - Zwerfsteen van Klazienaveen

Deze karakteristieke scherp kegelvormige structuren zijn schokkegels. Deze kegelvormige vlakken ontstonden bij de inslag van een enorme meteoriet van honderden meters doorsnede of meer.

Retro-eclogiet - Zwerfsteen van Borger (Dr.)

Onder noordelijke zwerfstenen geldt eclogiet als een curiositeit. In Scandinavië zijn slechts een paar vindplaatsen bekend. Hiervan komen voor zwerfstenen twee gebieden in Zweden in aanmerking waar mogelijk zwerfstenen vandaan komen. Bovenstaande zwerfsteen zou uit Jämtland in Zweden afkomstig kunnen zijn.

 

Waar zwerfstenen in Nederland ook vandaan komen, we komen soms soorten tegen die bijzonder mooi of erg zeldzaam zijn. Soms vinden we zwerfstenen van gesteenten die nooit eerder gevonden zijn. Niet zelden bevatten zwerfstenen ook fraaie fossielen die in het gebied van oorsprong niet meer voorkomen of waarvan de aard nog steeds in nevelen is gehuld.

In dit hoofstuk worden een aantal van deze bijzondere vondsten behandeld en afgebeeld. De verhalen staan in willekeurige volgorde.

 

Porfierische rapakivi-graniet van Kökar - Zwerfsteen van Klazienaveen

Rapakivigranieten van Kökar, uit het uiterste noordoosten van de Oostzee, komen in het Hondsruggebied als zwerfsteen veel voor. Zwerfsteentypen als op de foto zijn echter zeldzaam. De idiomorfe plagioklazen zijn door veroudering olijfgroen van kleur. De kwartseerstelingen zijn prachtig blauw en bovendien gezoneerd. Kaliveldspaat vormt megakristen en tegelijk ook Karlsbader tweelingen.

Impactiet - Zwerfsteen van Exloo (Dr.)

Inslagen van grote meteorieten zijn gelukkig zeer zeldzame gebeurtenissen. Stukken ruimtepuin van enige kilometers doorsnede vallen met tussenpozen van enige tientallen miljoenen jaren op aarde. Bij de inslag verdampt zowel de meteoriet als het gesteente op de inslagplaats. Daaromheen bevindt zich een zone met gesmolten gesteente waarin talrijke brokstukken gesteente voorkomen, die na een luchtreis terug zijn gevallen in de vloeibare gesteentesmelt. Zwerfstenen van impactiet zijn uitermate zeldzaam.

 

 

Sormland-gneis - Zwerfsteen van Borger (Dr.)

Zo noemt men deze opvallende, breedgebande gneizen met granaten. Het gesteente komt voor in de omgeving van de Zweedse stad Stockholm. Zwerfstenen ervan zijn niet zeldzaam.

Het gesteente is een gneis, beter gezegd een migmatiet(gneis). Dit zijn ultra-metamorfe gesteenten die eigenlijk een aparte positie in de gesteentenwereld innemen. Ze vormen a.h.w. de overgang van metamorfe gesteenten naar magmatische gesteenten.

Migmatieten ontstaan op grote diepte in de aardkorst door langzame metamorfose uit andere metamorfieten. Druk en vooral ook  temperatuur bereiken waarden, waarbij mineralen als kwarts en veldspaat opsmelten. Het gloeiend hete vloeibare materiaal migreert naar scheuren en spleten in het gesteente en kristalliseert daar uit tot graniet, pegmatiet en soms schriftgraniet. Dit zijn de lichtkleurige banden in het gesteente. De oorspronkelijke gneis is door zijn rijkdom aan biotiet veel donkerder. De granaten daarin zijn ook anders van vorm, meer amandelvormig. In de lichtkleurige delen hebben ze hun eigen vorm, vandaar de uitdrukking idiomorf.

Tijdens de metamorfose worden, afhankelijk van omstandigheden en samenstelling van het uitgangsgesteente, nieuwe mineralen gevormd. Rode granaat is hiervan een fraai voorbeeld. Ze zijn maar tijdelijk, want veranderen de omstandigheden, dan vallen deze nieuwgevormde granaten in hun bouwstenen uiteen en vormen zich daaruit weer andere combinaties (lees mineralen).

Sormland-gneis onderscheidt zich van vrijwel gelijke verwanten op andere locaties in Scandinavië, door het gemis aan kwarts.

 

 

Zandsteen met flute casts ofwel uitkolkingen - Zwerfsteen van Walchum (Dld.)

Veel mensen zullen nooit van troebelingsstromen gehoord hebben. Geen wonder want het onttrekt zich aan directe waarneming. In zee worden omvangrijke pakketten sediment afgezet, vaak zand en klei en dat in steeds dikkere lagen. Waar de onderzeese continentranden naar de diepzee afdalen, kunnen door zwaartekracht of door een aardbeving plotseling enorme hoeveelheden zand en klei naar de diepzee afglijden. Het zijn een soort onderzeese lawines die soms honderd kilometer en meer over de bodem van de diepzee kunnen uitstromen voordat het meegevoerde sediment tot rust komt. Deze verschijnselen noemt men troebelingsstromen.

Bij voorbijtrekkende troebelingsstromen treedt op de bestaande diepzeebodem ook enige erosie op. Deze erosie bestaat uit kleine uitkolkingen met een onregelmatig lengteprofiel.

Het oppervlak van deze zandsteen toont de onderzijde van een afzetting van zo'n troebelingsstroom (turbidiet), die kleine uitkolkingen heeft opgevuld. De structuren op de foto maken duidelijk dat de stroming van rechts beneden schuin naar linksboven heeft gelopen. Deze structuren noemt men in de geologie flute casts.

De herkomst van deze zandsteen is waarschijnlijk de Harz in Duitsland, waar op vrij grote schaal turbidieten uit het Onder-Carboon voorkomen (Grauwacke-zandstenen).

 

Serpentiniet - Zwerfsteen van Vastorf (Dld.)

Het is niet moeders mooiste, deze serpentiniet, maar als zwerfsteen uiterst zeldzaam. Het is mijn derde vondst tot dusver. Het was ook een behoorlijk groot exemplaar. Vandaar dat met de voorhamer een interessant stuk kon worden afgeslagen en meegenomen. De kei is gevonden bij Vastorf zuidoostelijk van Lüneburg in Duitsland.

Serpentiniet is een metamorf gesteente. Het is ontstaan uit donkere, magnesiumrijke gesteenten als duniet, peridotiet of pyroxeniet. Duniet en peridotiet zijn mantelgesteenten. Deze gesteenten bestaan vooral uit mineralen als olivijn en pyroxeen (augiet).

Bij plaattektonische processen en gebergtevormingen kunnen delen van de onderliggende mantel in de aardkorst belanden en in gebergtemassieven worden opgenomen. Tijdens deze processen wordt het mantelgesteente omgezet in serpentiniet. In de Alpen en ook in Italië komen deze gesteenten op verschillende plaatsen voor. De graad van metamorfose is niet erg hoog. Voorwaarde is wel een verhoogde temperatuur en de aanwezigheid van waterige oplossingen, die door gesteenten diffunderen.

Serpentiniet is als zwerfsteen een onopvallend gesteente. Door verwering aan de buitenzijde grijsgroen gebleekt, vettig/zepig aanvoelend en onder de hamer opvallend zacht. Op het breukvlak is het gesteente meestal donkergroen, dicht zonder merkbare korreling of structuur. Wel komen soms - ook in deze zwerfsteen - onregelmatig gevormde grote kristallen voor van pyroxeen. Het lijken eerstelingen. Ze zijn op het breukvlak aan hun enigszins spiegelende splijtvlakken te herkennen.

Bijzonder is verder dat bij de omzetting van het mineraal olivijn magnetiet ontstaat. Het vormt kleine zwarte metalige kristallen in het gesteente. De aanwezigheid van magnetiet is ook de oorzaak dat magneetjes aan het gesteente blijven kleven.

 

 

Graniet-porfierische Norrland-graniet - Zwerfsteen van Borger (Dr.)

De laatste jaren zijn uit Zweeds Lapland een aantal nieuwe gidsgesteenten bekend geworden, waaronder Sorsele-graniet. Deze zwerfstenen uit het verre Lapland, ter hoogte van de noordelijke Botnische Golf worden wel ' lange-afstands-kampioenen' onder noordelijke zwerfstenen genoemd.

Inmiddels zijn van deze en andere Norrland-granieten op de Hondsrug vele tientallen zwerfstenen gevonden. Het eerdere predicaat zeldzaam blijkt maar weer eens betrekkelijk. In de rode Emmen-keileem op de Hondsrug komen bijzonder veel Oost-Baltische zwerfsteentypen voor, rapakivi's voorop. Norrland-granieten blijken in het Hondsrug-gebied evenmin zeldzaam te zijn. In zwerfblokgrootte zijn ze zelfs vrij algemeen te noemen.

De zwerfsteen op de foto bezit een duidelijke porfierische structuur. De grondmassa is somber grijsviolet en fijnkorrelig. Kwarts is nauwelijks te ontdekken. Des te meer veldspaateerstelingen, waarbij die van kaliveldspaat het meest voorkomen. Ze zijn maximaal iets meer dan 1cm groot, hoekig, soms zijn meerdere veldspaateerstelingen glomerofyrisch vergroeid, andere tonen een karakteristieke spoel- of ruitvorm. Deze spoelvorm is kenmerkend voor Sorselegraniet. Verder komen een aantal plagioklazen voor, sommige zijn groenachtig, andere zijn door verwering uitgevreten. De (groenige) plagioklazen bevatten in hun kern vaak kleine zwarte insluitsels.
Deze zwerfsteen is een graniet-porfier, en zou een variant van Sorselegraniet kunnen zijn.

Nexö-zandsteen - Zwerfsteen van Langö, Hindsholm (Dk.)

Zandstenen vormen een wat onderbelichte groep zwerfstenen. Ze zijn te weinig specifiek en als zwerfsteen te gewoon. Meestal dan. Zwerfstenen van zandsteen tonen een veelheid aan structuren, korrelgroottes en kleuren. Elk daarvan kan veelzeggend zijn, maar vaak ook niet.

Hoewel aan veruit de meeste zandstenen geen herkomstgebied gekoppeld kan worden, zijn er bij waar dit wel mogelijk is. Nexö-zandsteen is hier één van.

Bij Nexö, in het oosten van het Deense eiland Bornholm in de Oostzee, komt een gelaagd type, veelal grijs-roodviolet gekleurde zandsteen voor. De korreling loopt sterk uiteen van conglomeratisch en veldspaathoudend tot fijnzandsteen. Nexö-zandsteen bevat vaak veldspaatkorrels. Door bleking kleuren deze witachtig.

Het meest voorkomende zandsteentype van Nexö toont naast rood-violette kleuren ook soorten met gele tot geelwitte stippen, vlekken en banden. Kortom Nexö-zandsteen is nogal variabel.

Op vindplaatsen met veel Bornholmgranieten, zoals op Noordoost-Fünen in Denemarken, zijn zwerfstenen van Nexö-zandsteen niet zeldzaam. Juist de aanwezigheid van talrijke Bornholmgranieten daar, maakt de herkenning van deze roodgrijze tot violette zandstenen op de stranden een stuk makkelijker en een determinatie als Nexö-zandsteen veelal mogelijk.

 

 

Oud en minder oud - Zwerfsteen van Rönbjerg, Limfjord (Dk.)

Zo mag je dit samenspel wel noemen. Twee verschillende gesteenten in één zwerfsteen en zo contrastrijk kom je niet vaak tegen. De kei toont een combinatie van een vulkanisch en een metamorf gesteente. 

Het lichtkleurige deel bestaat uit een geplooide mylonietgneis. Oorspronkelijk is het een grofkorrelige porfierische graniet geweest, die diep in de aardkorst gemangeld werd door tektonische krachten. Hierbij zijn de samenstellende bestanddelen verbrijzeld en tot lenzen en strepen uitgewalst. Tektoniek is tevens oorzaak dat het gesteente vervolgens intensief werd geplooid. Kortom kinetische metamorfose volgens het boekje.

Korte of langere tijd daarna is via spleten in het gesteente, onder grote druk, basaltisch magma ingedrongen en gekristalliseerd. De snelle afkoeling van het magma door het omringende, veel koudere gneisgesteente maakte dat een dicht type basalt ontstond. De structuur van de basalt is aphanietisch, d.w.z. zichtbare kristallen ontbreken. Ook het contactvlak tussen gneis en basalt toont geen opsmeltingsverschijnselen of andere reacties.

De mylonietgneis is ongetwijfeld van Precambrische ouderdom. Van de basalt is dit minder zeker. Het zou ook om een Mesozöische basalt-type  kunnen gaan.

Eksjö-graniet ofwel bonte Smaland-graniet  - Zwerfsteen van Langö, Hindsholm (Dk.)

Heel wat zwerfsteenliefhebbers zullen zich bij het lezen hiervan achter de oren krabben. Wat moet ik hiermee? Krab maar even door, want ontdekkingen in de zwerfsteenwereld slaan soms een hevig gat in de bestaande kennis.

Siljan-graniet is een bekend gidsgesteente, dat in een aantal variëteiten voorkomt in de omgeving van het Siljanmeer in Dalarne in Midden-Zweden. Zwerfstenen ervan zijn in ons land niet erg zeldzaam. Heel jammer, dat de meeste van deze 'Siljan-granieten' niet afkomstig blijken uit Midden-Zweden.

Niet lang geleden zijn in Zuid-Zweden, meer precies bij Eksjö, zuidoostelijk van het grote Vättern-meer, talrijke zwerfsteen-granieten gevonden, die als twee druppels op Siljan-graniet lijken. Ze verschillen van de echte doordat, die uit Smaland deformatieverschijnselen tonen. Siljan-graniet uit Dalarne heeft dit niet.

Het vaste gesteente is weliswaar (nog) niet gevonden, maar moet ergens in de buurt van Eksjö voorkomen. Naast typen die sprekend op Siljan-graniet lijken, zijn er ook die er duidelijk van afwijken, meer gele plagioklaas hebben met kaliveldspaat die bleker rood is. Kwarts komt veel voor zowel grijs als grijsblauw. Kortom, een nieuwe ster aan het gidgesteenten-firmament. De foto laat zien dat het om een prachtige scherpkristallijne porfierische graniet gaat.

Filipstad-graniet - Zwerfsteen van Langö, Hondsholm (Dk.)

Gidsgesteenten hebben iets magisch. Je hebt een steen in de hand die vaak vele honderden kilometers verderop, uit Scandinavië komt. Iedereen die dat uitgestrekte gebied in het noorden heeft doorkruist, verbaast zich er over dat van zoveel zwerfsteensoorten überhaupt de herkomst ontdekt is. Niet dat je de geboorteplek op de kilometer nauwkeurig kunt vaststellen, meestal niet, hoewel er bij zijn, waarbij dit wel het geval is. De wetenschap dat je een opvallende granietsteen in handen hebt die uit de omgeving van Filipstad in Zweden komt, geeft een bijzonder gevoel. Geen wonder dat de meeste zwerfsteenliefhebbers zich op het verzamelen van gidsgesteenten richten.

Filipstad-graniet is niet zeldzaam. Zelfs in het Hondsruggebied in Drenthe komen ze voor. De grootst bekende zwerfsteen van Filipstad-graniet komt daar zelfs vandaan. De steen is gevonden bij Gieten en weegt maar liefst 12 ton. Hoe herken je nu Filipstadgraniet? Dit is niet eenvoudig. Allereerst omvat Filipstad-graniet niet één bepaald type, de naam omvat een groot aantal verschillende varianten, die samen één familie vormen. Ze komen uit een langgerekt, vele honderden kilometers groot gebied dat zich noordelijk van het Vätternmeer bij Filipstad in noordwestelijke richting uitstrekt tot voorbij de Noorse grens. Het zijn vrijwel allemaal grofkorrelige, porfierische granieten met 1-6 cm grote rondachtige, rode, bruine tot grijsviolette kaliveldspaten. Deze veldspaten kunnen overigens verschillende tinten bezitten, zelfs in dezelfde steen. Sommige van de rondachtige kaliveldspaten bezitten een lichtkleurige rand van
plagioklaas. Wat dit betreft doen sommige Filipstad-granieten soms aan rapakivigraniet denken. De kwarts is doorgaans grijs. Verder komt in de grondmassa veel donker materiaal voor, naast vrije plagioklazen.

In het noordwesten van het verspreidingsgebied komen uitgesproken grofkorrelige bonte granieten voor met opvallende blauwe kwarts, roodachtige kaliveldspaat en gele tot geelgroene plagioklaas. Deze veelkleurige granieten noemt men 'tricolore-graniet'. De mooiste typen staan bekend als Barnarp-graniet. Kortom, Filipstad-graniet heeft een beetje het karakter van een kameleon, veel typen, veel kleurverschillen, maar alle hebben ze gemeen dat de ronde veldspaten vaak een witte ring bezitten van plagioklaas. Aan de verweerde buitenkant is dit makkelijk te zien.

 

 

Leuco-gabbro - Zwerfsteen van Haddorf (Dld.)

Gabbro is een algemene zwerfsteensoort. Vooral in Oost-Baltische zwerfsteengezelschappen in het Oost-Drentse Hondsruggebied komen ze veel voor. Toch is het gesteente bij verzamelaars niet erg populair. Hun manco is dat ze de bonte kleurigheid van graniet missen en wellicht nog belangrijker, van de meeste gabbro-zwerfstenen is niet goed bekend waar ze in Scandinavië vandaan komen.

Gabbro’s zijn doorgaans grijszwarte, zwartgroene tot geheel zwarte gesteenten met een wisselend percentage lichtkleurige plagioklaas. De donkere bestanddelen in het gesteente bestaan uit pyroxeen (augiet) en/of amfibool (hoornblende). Het kleurcontrast tussen plagioklaas en donkere mineralen is vooral bij enige verwering groot.

Naast deze sombere gabbro-soorten zijn er ook die uitgesproken lichtkleurig zijn. Deze gabbro's bevatten een hoog percentage plagioklaas en hooguit 10 % of iets meer aan donkere mineralen. Deze zwerfstenen noemt men heel toepasselijk leuco-gabbro (van Gr. Leucos = wit).

Leuco-gabbro's komen ook in het Hondsrug-gebied relatief vaak voor, meer dan in andere delen van Midden- en Noord-Nederland. De oorzaak is dat de meeste Hondsrugstenen afkomstig zijn uit Noord-Zweden, Botnische Golf, Zuidwest-Finland en de noordoostelijke Oostzee. In de Botnische Golf aan de kust van Angermanland komen deze veldspaatgabbro's veel voor. Ook op het westelijk gelegen kleine eiland Västersten op Aland zijn leuco-gabbro's en zelfs ook anorthosieten bekend. Anorthosiet is nog veldspaatrijker dan leuco-gabbro. Sommige typen bevatten nauwelijks donkere mineralen.

Dala kwartsporfier - Zwerfsteen van Borger (Dr.)

De zwerfsteen op de foto is gevonden op een akker bij Borger op de Hondsrug. Het is een mooi en duidelijk voorbeeld van een kwartsporfier, lang geleden ontstaan bij de uitbarsting van een vulkaan. Kwartsporfieren in deze vorm zijn in vrijwel alle gevallen ontstaan uit het gloeiend hete afgezette materiaal van gloedwolken ofwel pyroklastische stromen. De intense hitte zorgde er voor dat de losse vulkanische producten aaneen sinterden tot een keihard gesteente.


Kwartsporfier heeft de samenstelling van graniet. Je zou kunnen zeggen het is het uitvloeiingsgesteente ervan, ware het niet dat lavastromen van granietisch magma eigenlijk niet bestaan. Granietisch magma is te taai om te vloeien. In een uiterst fijnkorrelige grondmassa van vulkanisch as en uiteengespatte magmadruppeltjes, zweven talloze dieprode kristallen en fragmenten van kaliveldspaat. Sommige zijn prachtig idiomorf, d,w.z. deze bezitten hun eigen vorm. Daarnaast zijn iets minder talrijk (glazig)grijze, soms hoekige kristallen van kwarts te zien. 


De precieze herkomst van deze porfier is niet bekend, maar vrijwel zeker is dat we hier met een porfier te maken hebben die uit de provincie Dalarna in Midden-Zweden stamt. Het is een van de allermooiste kwartsporfieren die de laatste jaren is gevonden.

 

 

Amygdaloïdale paleo-basalt - Zwerfsteen van Lathum (Gld.)

Basalt kent iedereen al was het maar van de stenen in de dijken langs onze kust. Basalt is het meest voorkomende vulkanische gesteente op aarde. Alle oceaanbodems bestaan uit basalt. Ook op land en vooral op vulkanische eilanden komt het gesteente veel voor. IJsland bestaat vrijwel uitsluitend uit basalt. Geologisch oude basalt is vaak chemisch en ook mineralogisch veranderd. De kleur van het gesteente verandert van grijszwart naar groenachtig(grijs). Dit gebeurt door circulatie van heet grondwater dat onder hoge druk door gesteenten in de aardkorst circuleert. Basalt dat dit proces ondergaat is in feite veranderd in een metamorf gesteente. Dergelijke oude omgezette basalten noemt men metabasalt (=metamorfe basalt). De beide afgebeelde basaltstenen komen waarschijnlijk uit het stroomgebied van de Rijn in Duitsland. 
Verzameling en foto's: Hans van Essen - Dieren.

Impactiet - Zwerfsteen van Borger (Dr.)

Deze steen is opgeraapt in de omgeving van Borger op de Hondsrug in Drenthe.  Op aarde komen impactieten niet zo heel veel voor, als zwerfsteen is het ronduit een curiositeit. Impactieten ontstaan bij de inslag van reuzenmeteorieten. De grootte ligt ergens tussen een paar honderd meter en een paar kilometer. Met een snelheid van om en nabij 70 km per seconde slaat een dergelijk stuk hemelsteen op aarde neer met rampzalige gevolgen. In een fractie van een seconde zijn zowel meteoriet als het gesteente waar de inslag plaats vind verdampt. Hier komt zoveel energie bij vrij dat hele landstreken verwoest worden. Het gesteente in wijde omgeving van de inslag smelt, verbrokkelt of toont typische schokpatronen als gevolg van de enorme druk. 
De steen op de foto is een grotendeels gesmolten en weer gekristalliseerd brok aards gesteente met daarin vegen en slierten van puimsteenachtig materiaal. Impactieten lijken veel op vulkanische gesteenten. De herkomst ligt ergens in Zweden of Finland. Een bekende locatie Dellensee aan de Botnische Golf zou zomaar de plaats van herkomst kunnen zijn. De gelijkenis is groot.

Tönsbergiet - Zwerfsteen van Ertebölle (Dk.)

Sommige zwerfstenen zijn zeldzaam, daarnaast heb je ook nog zeldzamere, maar het vinden van een steen als op de foto overkomt je maar een enkele keer in je leven, in Nederland tenminste.


Zwerfstenen uit Zuid-Noorwegen, vooral die uit de omgeving van de stad Oslo, zijn begeerde verzamel- en studieobjecten. Ze zijn niet alleen als zwerfsteen bijzonder, ook als gesteente komen ze op aarde zeer weinig voor. Dit heeft te maken met hun ontstaanswijze. Oslogesteenten zijn geologisch gezien piepjong, vergeleken met talloze granieten, gneizen en migmatieten in Zweden en Finland. Ze ontstonden op het eind van de Carboonperiode en vooral tijdens het Vroeg-Perm langs en in een aardbreuk waarlangs veel vulkanisme plaatsvond. Het was de tijd ook, waarin de zandlaag in Noord-Nederland ontstond, waar zich later het aardgas in ophoopte.


De steen op de foto met zijn fraaie ruitvormige (=rhombische) veldspaateerstelingen is in feite een larvikiet, die door veroudering (=hydrothermale invloeden) van karakter en samenstelling is veranderd. Deze variëteit wordt in de zwerfsteenkunde Tönsbergiet genoemd.

Plagioklaas-porfierische paleobasalt - Zwerfsteen van Lathum (Gld.)

Naast noordelijke uit Scandinavië afkomstige zwerfstenen kennen we ook zuidelijke zwerfstenen. Deze zijn door Rijn en Maas naar ons land vervoerd. De steen op de foto is afkomstig uit het stroomgebied van de Rijn, meer specifiek uit het Nahe-gebied. Tijdens de Perm-periode, ca. 280 miljoen jaar geleden, vonden hier veel vulkanische uitbarstingen plaats, waarbij vooral basalt werd gevormd. Basalt is doorgaans een donker, zwartachtig gesteente, dat door de hoge ouderdom van het gesteente is omgezet. Basalt kleurt hierdoor soms groenzwart, maar vaker rood- tot violetbruin.
In Duitsland komen geen basalten voor uit het Mesozoïcum, wel oudere uit het Perm. Deze oude basalten werden (worden) melafier genoemd. Het type op de foto is afkomstig uit de omgeving van Kirn in het Nahe-gebied. De witte vlekjes zijn kristallen van plagioklaas. Hier en daar zijn deze samengeklonterd. Dit noemt men cumulofierisch. In de petrologie worden melafieren en andere geologisch oude basalten doorgaans paleobasalt genoemd.


Verzameling en foto: Hans van Essen, Dieren.

Rapakivi-pegmatiet van Kökar - Zwerfsteen van Borger (Dr.)

Er zijn zwerfsteensoorten die je vaker vindt. Rapakivi's zijn in het Hondsruggebied bijzonder algemeen te vinden. Dus waarom dan een rapakivi? 
Pegmatiet komt veel voor in granietvoorkomens. Ze ontstaan uit een zeer dunvloeibare restsmelt als het overgrote deel van het magmalichaam onderaards al is gekristalliseerd. Water in gasvorm speelt bij de vorming van pegmatiet een belangrijke rol. 


Rapakivimagma is een zogenaamd 'droog' magmatype. Het watergehalte daarin is bijzonder gering. Dit komt omdat rapakivigranieten ontstaan zijn door opsmelting van de onderste aardkorstgesteenten in aanwezigheid van heet basaltisch magma dat uit de mantel afkomstig is. Gesteenten uit de onderste aardkorst bevatten doorgaans weinig water. Rapakivimagma dus ook. De afwezigheid of het grote gebrek aan water is reden waarom rapakivi's zo weinig pegmatiet bevatten. Vind je vervolgens een zwerfsteen met pegmatiet en die steen blijkt een rapakivigraniet te zijn, dan is het bingo!! Zeldzaam zijn ze!
De rapakivi op de foto's is een Kökarrapakivigraniet, afkomstig uit het kleine satellietmassief op de bodem van de noordelijke Oostzee, net ten zuiden van de Aland-eilanden. Kökarrapakivi's zijn de mooiste rapakivigranieten die we kennen. De vriendelijke oranjegele of meer rode kleur, hun grof- tot grootkorreligheid maakt zwerfstenen ervan aantrekkelijk en heel herkenbaar.

 

Rapakivigraniet van Drammen

Drammen is een plaats bij Oslo in Zuidoost-Noorwegen. Het ligt in het midden van een oude riftzone van ca. 200 km lang en zo'n 50 km breed. Op het eind van het Carboon en in het Perm zijn langs zeer diep reikende breuken repen aardkorstgesteenten duizenden meters weggezakt. Gevolg, veel vulkanisme. Het breuksysteem werd veroorzaakt door naweeën van gebergtevorming elders in Europa. Het Zwarte Woud, Fichtelgebergte, Thüringerwoud e.d. zijn toen ontstaan. In de riftzone rond de huidige stad Oslo ontstonden talrijke vulkanen. Daarvan is nu echt niets meer over, behalve talrijke vulkanische gesteenten. Rhombenporfier is hier één van.

Op het eind van de onderaardse activiteiten ontstonden op tal van plaatsen magmahaarden, waarin magma met vaak een heel bijzondere samenstelling kristalliseerde tot allerlei dieptegesteenten, zoals syeniet en ook graniet.
Bijzonder is dat uit die tijd rond de stad Drammen meest zalmkleurige granieten voorkomen, die overeenkomen met bekende rapakivi-typen, die wij als zwerfsteen zo vaak op de Hondsrug aantreffen. Alleen de samenstelling is anders. Bovendien verschillen ze zo'n 1400 miljoen jaar in leeftijd. Deze Oslo-gesteenten zijn als zwerfsteen erg zeldzaam. Alleen op een paar plaatsen in Noordwest-Duitsland en vooral in Noord-Denemarken vind je ze veel.

Van alle rapakivi-typen op Aland in Finland, zijn uit het Oslo-gebied overeenkomende structuurvarianten gevonden: rapakivi, pyterliet, kwartsporfier, granietporfier, porfier-apliet, apliet, twee generaties kwarts enz. Deze Oslo-rapakivi's komen opvallend overeen met de oude rapakivi's uit Finland. Verder dan dat gaat de overeenkomst echter niet. De veldspaatsamenstelling van deze Oslo-rapakivi's is echt anders. Ze zijn rijker aan natrium dan aan kalium. Vandaar dat de veldspaten op het breukvlak een mattere glans bezitten. Ook de kleuren zijn bleker, meer pastelkleurig dan bij echte rapakivi's. Op de foto's ziet u een zwerfsteen van de zalmkleurige Drammen-rapakivi, zoals die bij Solumstranda in het Oslo-gebied als vaste rots te zien is.

 

 

Geplooide gneis

Gneis is een metamorf gesteente ofwel een omzettingsgesteente. Op meestal grote diepte in de aardkorst veranderen bestaande gesteenten, onder invloed van druk en vooral temperatuur, van uiterlijk en samenstelling. Hierbij vallen bij een bepaalde druk- en temperatuurverhouding minerale bestanddelen in bestaande gesteenten uiteen. Uit de bouwstenen ervan vormen zich nieuwe mineralen, die een tijdlang tegen veranderende en extremere omstandigheden bestand zijn.

Deze omzetting vindt plaats in vaste toestand. Aan- en afvoer van moleculaire en atomaire bouwstenen vindt plaats via microporiën in het gesteente. Smelten gebeurt pas in het stadium waarbij migmatieten gevormd worden. In de steen op de foto is hiervan een begin te zien. Deze processen duren miljoenen jaren.

Vooral bij de vorming van gebergten ontstaan op grote schaal metamorfe gesteenten. De meeste ontstaan uit (zeebodem)sedimenten, zoals klei, kalksteen, zandsteen of mengsels daarvan. Uit siltige klei vormt zich bij progressieve metamorfose achtereenvolgens leisteen, fylliet, glimmerschist, gneis, migmatiet tot uiteindelijk via nebuliet graniet ontstaat. Gesteenten zijn dus ook onderdeel van kringlopen.

Gneis is een containerbegrip voor een groot aantal meer of minder gestreepte en meest kleurige gesteenten met een granietische samenstelling. Veldspaat, kwarts en glimmer zijn veelvoorkomende bestanddelen.

Onder invloed van zijdelings gerichte druk op grote diepte in de aardkorst worden gesteenten geplooid, soms zeer intensief, zoals op de foto. Je kunt het plooien vergelijken met een tafelkleed waar je tegenaan duwt. Je krijgt dan plooien in het kleed. Bij metamorfe gesteente kan dit ook gebeuren, maar dan is de kracht waarmee tegen het gesteente wordt gedrukt veel groter.

 

Gedeformeerde graniet

De zwerfsteen op de foto is een graniet. Het is een type die op een bepaald moment in zijn 'leven' iets heeft meegemaakt wat ie in de rest van zijn bestaan nooit meer is kwijt geraakt.

Gedeformeerd wil zeggen dat omstandigheden in de aardkorst, toen deze graniet nog deel uitmaakte van de vaste rots, ergens in Scandinavië, op vele kilometers diepte de gevolgen van enorme druk onderging. Het waren niet zozeer drukverschijnselen die te maken hadden met plaatbotsingen, het moet meer statische druk zijn geweest. Puur het gewicht dus van bovenliggende gesteentepakketten.

Het gevolg was dat alle samenstellende mineralen, kwarts, veldspaat en glimmer gegranuleerd zijn tot een suikerkorrelige massa. Heel vaak zie je bij dergelijke granieten dat vooral kwarts vergruisd is. Veldspaat laat dit in mindere mate zien. In deze steen zijn echter alle mineralen verbrijzeld.

Het gesteente is dus nog gewoon graniet, zij het dat zijn minerale bestanddelen tot suikerkorrelgrootte zijn vergruisd. Vorm en begrenzing van de oorspronkelijke mineralen zijn bewaard gebleven. Er is geen sprake van parallelle rangschikking van de mineralen, als gevolg van gerichte druk, waardoor gneis-graniet of mylonietgneis zou zijn ontstaan.

Het kleurige gesteente bestaat uit roodachtige kaliveldspaat, geelwitte plagioklaas en donkergrijze kwarts. Biotiet vormt verspreid zwarte aggregaten. Ze zijn gering in aantal.

Bijzonder is dat de plagioklazen donker gespikkeld zijn. Dit is het gevolg van omzetting en vergruizing. Plagioklaaskristallen bevatten vaak donkere insluitsels, zeker als ze oud en chemisch omgezet zijn. Gesteenten als deze zullen zo'n slordige 1600-1800 miljoen jaar oud zijn. Een andere bijzonderheid is dat roodachtige kaliveldspaat hier en daar mantels (dikke randen) vormt om de plagioklaas.

Ongetwijfeld een Zweeds/Fins gesteente, maar waar vandaan? Geen idee, maar mooi is ie wel.

 

Syeniet

Syeniet is net als graniet een stollingsgesteente, dat op kilometers diepte in de aardkorst is gekristalliseerd. Hierbij zijn kristallen gevormd die met het blote oog zichtbaar zijn.

Syeniet lijkt veel op graniet. Het bestaat in feite ook uit dezelfde mineralen, met één uitzondering: kwarts ontbreekt of is slechts in geringe hoeveelheden aanwezig. Syeniet komt o.m. voor aan de randen van granietmassieven. 

Als zwerfsteen komt syeniet weinig voor. Juist daarom zijn zwerfsteenliefhebbers er zo op gespinst. Zeldzaam is bij verzamelaars altijd aantrekkelijk.

De syeniet op de foto is in meerdere opzichten bijzonder. Het gesteente bevat iets meer dan 5% kwarts. Daardoor wordt het kwarts-syeniet genoemd. Bovendien valt de groenige kleur in het gesteente op, samen met wat 'wit'. Het gehalte aan plagioklaas is groter dan dat van (hoog)roze kaliveldspaat. Gesteenten met min of meer gelijke hoeveelheden kaliveldspaat en plagioklaas of iets meer van dit laatste mineraal, krijgen als voorvoegsel 'monzo'. Monzograniet komt als zwerfsteen veel voor, alhoewel de meeste verzamelaars deze gewoon graniet noemen. Veel Smalandgranieten zijn in feite monzogranieten. Bij syenieten komt dit ook voor, maar dan heet het gesteente niet 'monzo-syeniet', maar monzoniet. Omdat deze naam in de zwerfsteenwereld weinig tot niet gebruikt wordt, wordt de steen op de foto gewoon kwarts-syeniet genoemd.

Het groen en wit in de steen is van plagioklaas.Sommige kristallen van dit mineraal zijn zonair. Dit wil zeggen dat deze groen van binnen zijn, omgeven door een witte rand. Plagioklaaskristallen zijn in de kern vaak calciumrijker dan meer naar buiten. Door omzetting zijn vooral de calciumrijke delen van de plagioklaas omgezet in groene epidoot. De natriumrijke delen zijn niet omgezet en bleven daardoor wit.

De donkere vlekjes tenslotte zijn van groenzwarte chloriet, zwarte magnetiet en ilmeniet. Dit laatste is een titanium- mineraal. Verder komt in het gesteente ook veel geelbruin verweerde titaniet voor, ook een titaanmineraal.

 

Graniet met xenolieten ofwel magmatische 'opslokking'

De steen op de foto ziet er nogal opvallend uit, contrastrijk ook. Wat het is, is niet direct te zeggen. De steen illustreert namelijk een proces, dat bij magmatieten ( stollingsgesteenten) in de aardkorst veel voorkomt.

De ene steensoort, in dit geval een zeer lichtkleurige graniet, slorpt delen van een ander, veel donkerder gesteente op. De donkere gesteentedelen lijken wel op schollen of drijvende ijsschotsen. Het lichtkleurige gesteente is graniet, maar wat in dit geval het donkere gesteente is, is niet direct duidelijk. Op het eerste gezicht doet het aan gabbro denken. Dit is een donker ijzer- en magnesiumrijk gesteente. Gabbro is het dieptegesteente van een gesteentesoort die wij veel beter kennen, namelijk basalt.

De donkere partijen zijn losse geïsoleerde, deels opgesmolten gesteentefragmenten. Het opdringen van granietmagma in de aardkorst moet het donkere nevengesteente hebben aangetast en gebroken, waarbij losse fragmenten in het magma zijn opgenomen. Dat dit de volgorde moet zijn en niet andersom wordt duidelijk uit de lichtkleurige graniet. Deze vormt in het gesteente de matrix waarin de donkere gesteentedelen als het ware 'zweven'. En juist dit is vreemd. Donkere gesteenten, zoals gabbro hebben een veel hoger smeltpunt dan graniet. Met andere woorden, graniet kan gabbro niet opsmelten. Dit laatste is echter in deze steen wel het geval geweest. Aan de donkere spikkels en vlekjes in de graniet blijkt duidelijk dat donker materiaal is opgenomen (geassimileerd).

Een mogelijkheid is dat het geen gabbro is, maar dat het om dioriet gaat. Gabbro en dioriet zijn eigenlijk zonder microscopisch onderzoek niet van elkaar te onderscheiden. Er bestaan dus ook zeer donkere, op gabbro gelijkende, typen dioriet. Het donkere mineraal in dioriet is voornamelijk hoornblende. Onder bepaalde omstandigheden is opsmelting daarvan wel mogelijk. Hoewel de eerste indruk er een is van een graniet met xenolieten (insluitsels) van gabbro, gaat het vermoedelijk toch om dioriet. In dit geval een heel donker type. Microscopisch onderzoek aan de plagioklaas zou uitsluitsel kunnen geven. Met het blote of of met een loep valt hierover echter niets te zeggen.

 

 

Myloniet ogengneis en kataklasiet

Deze gneis toont op aanschouwelijke wijze twee gebeurtenissen die gesteenten soms ondergaan. Bij metamorfose op grote diepte in de aardkorst veranderen gesteenten geleidelijk van samenstelling en structuur. Zijn de dynamische krachten bijzonder groot, dan treedt een soort vermalingsproces op. Tegelijkertijd vindt een heroriëntatie en groei van de minerale bestanddelen plaats. Dit alles gebeurt in vaste toestand. Wel kan de temperatuur hierbij flink hoog zijn. Deze gesteenten noemt men myloniet (Gr. mylos = malen)

Onder invloed van druk richten de uitgewalste minerale bestanddelen zich loodrecht op de drukrichting. Zo ontstaat een gestreepte gneisstructuur. Door diffusie via microporiën ontstaan er tevens nieuwvormingen, die in deze gneis vooral uit oranje kaliveldspaat bestaan. Ze vormen meer of minder duidelijke lensjes, vlekjes en en oranje banden in het gesteente.

In de bandvormige strepen zijn talrijke heldere pitten zichtbaar. Dit zijn nieuwvormingen, amandel- tot oogvormig van lichter getinte veldspaat. Deze ogen zijn kristallen die ten koste van de omgeving groeien, ook in vaste toestand. Omdat ze in een metamorfe omgeving ontstaan zijn, noemt men deze pitten 'porfyroblasten'.

Bijzonder is dat deze gneis tevens een mooi voorbeeld is van kataklase. Als gevolg van verplaatsingen van gesteentedelen langs smalle breukzones, treedt breukvorming, verbrijzeling en zelfs vermaling van het gesteente op. Kataklase vindt doorgaans plaats op niet al te grote diepte als gebergtevormende krachten het gesteente laten breken en verbrokkelen. In deze steen is heel fraai te zien dat breukschade vooral is opgetreden in het linker gedeelte. Langs de breukzone heeft verschuiving plaatsgevonden, zodanig dat in het linker deel een reeks smalle rekspleten zijn ontstaan. De oranje band veldpaatband links onderaan laat een verdergaande deformatie zien. Deze is duidelijk naar onderen afgebogen, met hier en daar breuk- en vermalingsverschijnselen. Dit bewijst dat het gesteente niet in half gesmolten toestand moet hebben verkeerd, maar zich naar de omstandigheden ductiel heeft gedragen.

 

 

Hoornblendegneis

Soms vind je een zwerfsteen die je hart even sneller doet kloppen, vooral als je onder het vuil vandaan zwarte naalden ziet verschijnen in een lichtkleurige grondmassa. Na een grondige schoonmaakbeurt met chloor was het duidelijk, een gneis met hoornblende-porfyroblasten.

Dit gesteente kom je in ons land bar weinig tegen. Bovendien is het ook nog eens een gidsgesteente, want zijn herkomst is bekend. Om met dit laatste te beginnen. In de omgeving van de Zuid-Noorse stad Skien komt een vergelijkbaar gesteente voor. Van die locatie en ook iets verderop uit de omgeving van de stad Oslo in Noorwegen zijn maar weinig zwerfsteensoorten in ons land terecht gekomen. Bovendien vind je veel vaker een rhombenporfier uit die wereld dan deze hoornblendegneis.

Het is een metamorf gesteente dat van sedimentaire oorsprong is; waarschijnlijk was het uitgangsgesteente een kalkhoudende zandige klei of iets vergelijkbaars. Tijdens de Zweeds-Noorse gebergtevorming van zo'n 1000 miljoen jaar gelden, toen twee continentale landmassa's op elkaar botsten, ontstond in Zuidwest-Zweden en in Zuid-Noorwegen een gebergtegordel. Hierbij zijn talloze gesteenten door gerichte druk en bij een (sterk) verhoogde temperatuur gemetamorfoseerd. Toen is ook deze opvallende gneis met zijn pikzwarte glanzende hoornblendenaalden ontstaan.

De zwarte naalden ontstonden in vaste toestand, het gesteente was niet gesmolten. Via microporiën werden in het bestaande gesteente bestanddelen aan- en afgevoerd, waarbij nieuwe mineralen ontstonden. Deze groeiden ten koste van hun omgeving. Omdat de kristallen langs metamorfe weg zijn ontstaan, heten het geen eerstelingen, zoals in magmatische gesteenten, maar worden ze porfyroblasten genoemd.

Diamictiet (tilliet)

Diamictiet is een begrip waar de meesten van ons geen beeld bij hebben. Het is een afzettingsgesteente dat op conglomeraat lijkt, waarin de bestanddelen zeer slecht ongesorteerd zijn. Grote stenen naast kleinere, zand en klei door elkaar.

Diamictiet beschrijft alleen het uiterlijk van het gesteente. De naam zegt niets over het ontstaan. De steen is gevonden bij Ertebölle in Noord-Denemarken. De eerste indruk was een conglomeraat, maar anders dan normaal. De stenen waren niet goed afgerond, eerder wat hoekig. Ook de spreiding in grootte van stenen en steentjes (=klasten) was opvallend, plus het feit dat van enige sortering geen sprake was.

Veel diamictieten zijn van glaciale oorsprong. Ze ontstaan uit sediment dat door gletsjers en landijs wordt afgezet. Dit sediment noemen we keileem. De stenen die in keileem voorkomen zijn van verschillende origine: kwarts zoals hier, graniet, gneis, zandsteen, kwartsiet e.d. Deze diamictiet van Ertebölle beantwoordt daaraan. De steen is daarom hoogstwaarschijnlijk een tilliet, de versteende vorm van keileem.

De kei is van Scandinavische oorsprong, maar waar precies vandaan is niet duidelijk. In Noord-Denemarken komen veel steensoorten voor die afkomstig zijn uit het Oslo-gebied in Zuid-Noorwegen. Iets ten noorden daarvan, bij Moelv, noordwestelijk van de stad Hamar, komt een Precambrische tilliet voor. Het uiterlijk komt overeen met dat van de zwerfsteen, kleur en korreling ook. Het zou dus kunnen zijn dat de tilliet van Ertebölle daar vandaan komt.

Al met al een bijzondere vondst, die alleen gefotografeerd kon worden. Een stuk afslaan doe je bij zo'n grote kei niet. Wordt ie nog lelijker van.

 

 

 

 

Nebulietische migmatiet

Zo worden gesteenten genoemd die op tientallen kilometers diepte in de aardkorst, in de wortels van hooggebergten ontstaan. Migmatiet is een ultra-metamorf gesteente. Het ontstaat bij zeer hoge druk en een sterk verhoogde temperatuur uit andere gesteenten, vaak van sedimentaire oorsprong. Je houdt het niet voor mogelijk, maar uit zavelige klei in het noorden van de provincie Groningen kan uiteindelijk een dergelijk migmatietgesteente ontstaan. Duurt wel miljoenen jaren en ook nog alleen op plaatsen waar continenten botsen, waarbij hooggebergten als de Alpen ontstaan.

Druk en temperatuur lopen bij metamorfose zo hoog op dat vooral minerale bestanddelen als kwarts en veldspaat smelten en vervolgens weer kristalliseren. Donkere bestanddelen als zwarte biotietglimmer vragen een nog hogere temperatuur. Dit veroorzaakt het grillige kleurverloop en streperigheid. Waar de grens tussen migmatiet en graniet vaag wordt spreekt men van nebuliet (van mist of nevel) ofwel van nebulietische migmatiet.

De tweede foto toont een zwerfkei van een normale migmatiet met een duidelijke afwisseling van granietische en pegmatietische banden, begrensd door het oude, donkerder gneisgesteente. Deze leverde het materiaal waardoor kleurige banden en strepen konden ontstaan.

Migmatieten komen overal op aarde op continenten voor. Het gesteente wordt veel aan gebouwen, in vloeren, aanrechten en ook in grafwerken verwerkt. Ook als noordelijke zwerfsteen zijn duizenden zwerfstenen van migmatiet door ijstijdgletsjers naar ons land vervoerd. Gezaagd en gepolijst zijn het zo ongeveer de mooiste zwerfstenen die je kunt vinden. Migmatiet komt op veel plaatsen in Zweden en Finland voor. Het gesteente vormt de overgang van gneis naar volkristallijne graniet. Ook gesteenten zijn dus onderworpen aan een kringloop van ontstaan, vergaan en opnieuw geboren worden. Net een fenix, maar dan iets anders.

 

 

Rapakivigraniet van Rödö

Rödö is een klein Zweeds eiland voor de kust van Zweden bij Sundsvall in de Botnische Golf. De naam betekent 'rood eiland'. Het rode duidt op de kleur van de rots waar het eiland voor een deel uit bestaat. Dit is een rapakivi-graniet, zoals op de foto's. Oranjerood met een opvallende structuur van witte ringen rond een rode kern. Deze ronde geringde vlekken zijn ruimtelijk gezien kleine ballen van veldspaat, rode kaliveldspaat binnenin omgeven door een mantel van witverwerende plagioklaas. Ovoïden noemt men die (van ovos=ei).

Veel bekender als deze rapakivi van Rödö is Alandrapakivi. Bezit ook zo'n opvallende ringetjesstructuur, maar in Alandrapakivi zijn de ovoïden kleiner. Bovendien zijn de witte ringen dunner.

Rapakivi's ontstonden op een andere wijze dan de meeste granieten op aarde. In Zweden en Finland vormen ze geïsoleerde voorkomens te midden van oudere gebergtegesteenten. De ouderdom ligt tussen 1540 en 1650 miljoen jaar.

Rapakivi's vormen plaatvormige lichamen in de aardkorst. De dikte ervan ligt tussen de vijf en tien kilometer, heel anders dan bij granietvoorkomens, waarvan de ondergrens niet bekend is .
Rapakivi's zijn afkomstig uit de onderste aardkorst. Bij het omhoogkomen van gesmolten mantelgesteente heeft dit magma gesteenten van de onderste aardkorst opgesmolten. Hieruit is rapakivi-magma ontstaan. Dit magma is samen met het basaltische mantelmagma in de aardkorst opgestegen tot op enkele kilometers onder het aardoppervlak. Daar is het langzaam gekristalliseerd.
Rapakivi's komen in Scandinavië in een aantal grote en talrijke kleinere massieven voor. Elk massief heeft zijn eigen sortiment aan rapakivi-gesteenten. Ze wijken alle van elkaar af, ondanks dat ze gemeenschappelijke kenmerken bezitten. Alleen in de grote voorkomens komen rapakivi's voor met een ringenstructuur. Het eiland Rödö vormt maar een klein deel van het rapakivivoorkomen in de Botnische Golf. Zwerfstenen van Rödö zijn in ons land zeldzaam.

Lemland-graniet

Een zoektocht door de keientuin in Borger levert, ook na jaren, regelmatig bijzondere zwerfstenen op. Geen wonder, want in de tuin liggen vele tienduizenden zwerfstenen.

Lemland-graniet is een opvallende graniet, porfierisch door de talrijke tot 4cm grote tabletten van kaliveldspaat. Het gesteente is lever- tot vleeskleurig bruin. Door verwering, zoals de steen op de foto, wordt de kleur iets lichter.

Lemland-graniet lijkt in de verte op een porfierische rapakivi-graniet. Hoewel het vaste gesteentne voorkomt op een aantal kleine eilanden voor de kust van Lemland, in het zuidwesten van Aland, heeft dit gesteente niets met rapakivi's te maken. Lemland-graniet vormt een zelfstandig, klein voorkomen en is geologisch gezien ook ouder dan de rapakivi-granieten op Aland.

Door zijn duidelijke porfierische bouw is het een opvallende zwerfsteensoort, daardoor ook niet moeilijk te herkennen. Bijzonder is dat de plagioklaas in veel Lemland-granieten diep roodbruin van kleur is. Normaal is plagioklaas vrijwel altijd lichter getint dan kaliveldspaat. In Lemland-graniet, Kökarrapakivi en ook in sommige microklien-granieten in Zuidwest-Finland is de plagioklaas vaak donkerder dan kaliveldspaat.

Ondanks zijn donkere tint verweert bruinrode plagioklaas aan de buitenkant van zwerfstenen wit. Op sommige eilanden bij Lemland is de plagioklaas echter niet roodbruin maar (groen)witachtig. Zwerfstenen met deze witte plagioklaas komen in het Hondsruggebied het meest voor.

Kwarts vormt grote, heldergrijze tot rookgrijze aggregaten. Biotiet en zwartgroene chloriet zijn de donkere bestanddelen in deze graniet. Ze komen niet veel voor.

Lemland-graniet is in Oost-Baltische zwerfsteengezelschappen niet zeldzaam. In de keientuin in Borger liggen twee grote zwerfblokken van dit gesteente.

 

Rhombenporfier

Sommige zwerfsteensoorten hebben namen die bij liefhebbers een bijna magische klank hebben. Vaak komt dit door zeldzaamheid, uiterlijk en of samenstelling. In rhombenporfier is het de combinatie van deze kenmerken.
Iedere beginnende zwerfsteenverzamelaar droomt ervan om een rhombenporfier te vinden, het liefst in Nederland. Loop je al een paar jaren mee en je had nog niet het geluk om er een te vinden? Het is alsof je dan nog niet bij de 'club' hoort. Doorzoeken! Vroeg of laat komt men er heus wel een tegen.

De bijzondere klank van rhombenporfier is vooral te danken aan zijn zeldzaamheid en zijn herkomst. Geologisch gezien is dit gesteente jong. Langs een diep reikende breuk in de aardkorst is in het Laat-Carboon en vooral in het Vroeg-Perm, zo'n 280 miljoen jaar geleden, rond de Noorse stad Oslo in Zuid-Noorwegen, een reeks heel bijzondere gesteenten ontstaan. Rhombenporfier is daar één van.

Mondiaal gezien is het gesteente ook erg zeldzaam. Rhombenporfieren komen voor in Kenia en op Antarctica, verder nergens. Het gesteente ontstond uit lava dat via spleten over het aardoppervlak uitvloeide. Iedere eruptie leverde zijn eigen rhombenporfier op. In het Oslo-gebied heeft men zo'n 23 aparte lavadekken gevonden met idem zoveel typen rhombenporfier. Ook binnen één lavadek kan de variatie vrij groot zijn. Daarnaast komt rhombenprofier voor als spleetvullingen in het omringende, veel oudere gesteente. Sommige spleetvullingen zijn tientallen kilometers lang. Kortom, rhombenporfier is een kameleon. Een verzameling krijg je daarom nooit compleet.

Bijzonder is vooral het uiterlijk. In een dichte tot fijnkorrelige grondmassa 'zweven' tal van onregelmatige, meest spoel- en ruitvormige veldspaateerstelingen. Aantal en vorm wisselen enorm. In verweerde vorm contrasteren de eerstelingen sterk met de matrix. Dit maakt herkenning zo makkelijk. Rhombenporfier is een syenietporfier, bezit dus geen kwarts. De foto's geven een beeld van een aantal in Noord-Nederland gevonden

 

Quetschstein

Hoewel zijn naam anders doet vermoeden, is deze steen niet van Duitse origine. Er is gewoon geen goede Nederlandse naam voor. Ja, gekwetste steen of zoiets. Maar dit bekt niet.

Quetschsteine zijn gebroken en weer aaneengekitte stenen, meestal van kalksteen, want het bindmiddel is kalk dat uit circulerend grondwater is uitgescheiden.

Quetschsteine komen voor in een keileemtype dat op de Hondsrug op een aantal plaatsen voorkomt, o.m. op de noordelijke Hondsrug tussen Haren en Groningen. Deze keileem bevat enorm veel stenen. Keileem en stenen zijn door de Hondsrug-IJsstroom op het laatst van de Saale-ijstijd hier afgezet.

Hoogstwaarschijnlijk bevonden keileem en stenen zich op een hoger niveau in het gletsjerijs, want sinds Letland in de Oostzee heeft deze morene geen contact meer met de ondergrond gehad.Smeltprocessen op en in het ijs hebben de keileem deels uitgespoeld. Zand, grind en stenen zijn in het ijs door smeltwater gesorteerd en in lagen, pakketten naast en boven elkaar afgezet. Tegelijkertijd ontstonden onregelmatige opeenhopingen, zeg maar stenenbanken en dito pakkingen met louter grotere zwerfkeien.

Tijdens het transport, maar vooral tijdens het afsmelten van het ijs van de Hondsrug-ijsstroom is dit glaciale materiaal door en langs het gletsjerijs naar beneden gezakt/gevloeid en op een onderlaag van andere Hondsrugkeileem terechtgekomen.

Door gewicht, ijsdruk en afglijding zijn vooral kalkstenen door hun buurstenen gekraakt en kapot gedrukt. De brokstukken bleven bij elkaar omdat deze geen kant op konden. Het zeer kalkrijke water in keileem en keienpakkingen heeft deze Quetschsteine weer geheeld. Het zijn dus simpelweg kalksteenbreccies, maar op een heel bijzondere manier ontstaan. Quetschsteine heb je in allerlei groottes. Ook hoe ze er uit zien en in welke mate ze gebroken zijn verschilt nogal.