Bijzondere vondsten van Noordelijke zwerfstenen

Veel mensen zoeken stenen en/of fossielen. Doe je dit in Nederland, dan zijn het vaak zwerfstenen die in de ijstijdperiode met het gletsjerijs uit Scandinavië naar ons land vervoerd zijn. In Oost-, Midden- en Zuid-Nederland hebben we te maken met rivierstenen. Deze (grind)stenen zijn in het verleden door voorlopers van rivieren als de Elbe, de Wezer, de Rijn en de Maas naar ons land zijn getransporteerd. 

Waar zwerfstenen in Nederland ook vandaan komen, we komen soms soorten tegen die mooi, bijzonder of zeldzaam zijn. Soms vinden we een zwerfsteen van een gesteentesoort, die niet eerder gevonden is. In noordelijke sedimentaire zwerfstenen komen we fossielen tegen, die in Scandinavië in het gebied van oorsprong niet meer voorkomen of waarvan de aard nog steeds in nevelen is gehuld.

In dit hoofstuk worden een aantal bijzondere vondsten behandeld en afgebeeld van: 

Noordelijke zwerfstenen

Syeniet

Vulkanische conglomeraat

Syeniet is net als graniet een stollingsgesteente. Het is in alle rust op kilometers diepte in de aardkorst uit magma gekristalliseerd. Hierbij zijn kristallen gevormd die met het blote oog zichtbaar zijn.

Syeniet lijkt veel op graniet. Het bestaat in feite ook uit dezelfde mineralen, met één uitzondering: kwarts ontbreekt, of is slechts in geringe hoeveelheden aanwezig.

Syeniet komt o.m. voor aan de randen van granietmassieven. Door opname van bestanddelen uit het omringende vaste nevengesteente is graniet vaak dusdanig van samenstelling veranderd, dat syeniet ontstond.

Als zwerfsteen komt syeniet weinig voor. Juist daarom zijn zwerfsteenliefhebbers er zo attent op. Zeldzaam is bij stenenverzamelaars altijd aantrekkelijk.

De syeniet op de foto is in meerdere opzichten bijzonder. Het gesteente bevat iets meer dan 5% kwarts. Daardoor wordt het kwarts-syeniet genoemd. Bovendien valt de groenige kleur in het gesteente op, samen met wat 'wit'. Het gehalte aan plagioklaas is groter dan dat van (hoog)roze kaliveldspaat. Gesteenten met min of meer gelijke hoeveelheden kaliveldspaat en plagioklaas of iets meer van dit laatste mineraal, krijgen als voorvoegsel 'monzo'. Monzograniet komt als zwerfsteen veel voor, alhoewel de meeste verzamelaars deze zwerfstenen gewoon graniet noemen. Veel Smalandgranieten zijn in feite monzogranieten. Bij syenieten komt dit ook voor, maar dan heet het gesteente niet 'monzo-syeniet', maar monzoniet. Omdat deze naam in de zwerfsteenwereld weinig tot niet gebruikt wordt, wordt de steen op de foto gewoon kwarts-syeniet genoemd.

Het groen en wit in de steen is van plagioklaas.Sommige kristallen van dit mineraal zijn zonair. Dit wil zeggen dat deze groen van binnen zijn, omgeven door een witte rand. Plagioklaaskristallen zijn in de kern vaak calciumrijker dan meer naar buiten. Door omzetting zijn vooral de calciumrijke delen van de plagioklaas omgezet in groene epidoot. De natriumrijke delen zijn niet omgezet en bleven daardoor wit.

De donkere vlekjes tenslotte zijn van groenzwarte chloriet, zwarte magnetiet en ilmeniet. Dit laatste is een titanium- mineraal. Verder komt in het gesteente ook veel geelbruin verweerde titaniet voor, ook een titaanmineraal.

Conglomeraat is te vergelijken met beton, alleen ontstaat het langs natuurlijke weg, bijvoorbeeld uit grof (rivier)zand met grindstenen erin. Als dit materiaal op een dieper niveau in de aardkorst bedolven raakt onder andere lagen, dan verhardt het langzamerhand tot conglomeraat. We spreken overigens pas van conglomeraat als de grinstenen groter zijn dan 2 millimeter. In de meeste conglomeraten zijn de grindstenen veel groter.

Conglomeraten zijn van alle tijden. In de ijstijd zijn zwerfstenen ervan uit Scandinavië in ons land achtergebleven, die ruim 1800 miljoen jaar oud moeten zijn. Niet allemaal zijn ze even oud. De conglomeraat op de foto, is zo'n 280 miljoen jaar of daaromtrent. Het is een vulkanische conglomeraat. Dit betekent dat vulkanisme bij het ontstaan ervan een grote rol heeft gespeeld.

In Zuid-Noorwegen, rond de stad Oslo, was in het Carboon/Perm sprake van een breukzone, waarlangs repen aardkorst duizenden meters wegzakten. Dit ging gepaard met vulkanisme. Vergelijk het maar met de riftzone in Oost-Afrika. Tijdens uitbarstingen zijn enorme hoeveelheden lava uitgevloeid. Deze lava stolde tot basalt en vooral tot rhombenporfier. Van dit gesteente moeten in die tijd enorme deklagen zijn gevormd.

Bij uitbarstingen komt ook veel waterdamp vrij. Hoog in de atmosfeer condenseert dit en geeft aanleiding tot intensieve onweersbuien. Het regenwater sleurt op weg naar beneden langs de vulkaanhelling vulkanisch as, zand, grind en stenen mee. Hieruit ontstaan modderstromen. Deze vullen laagtes en valleien op en verharden na verloop van tijd tot conglomeraat.
Deze vulkanische conglomeraten kunnen overigens ook ontstaan zijn door normale verwering van vulkanische gesteenten.

In de conglomeraat op de foto zijn meer of minder afgeronde brokstukken van verschillende rhombenporfieren zichtbaar, naast allerlei andere steensoorten. Zuidelijk van Oslo in Zuid-Noorwegen komen langs de Oslofjord en opzij daarvan dikke lagen voor met deze vulkanische conglomeraat. De meeste zijn bruin- tot violetrood van kleur. Deze vulkanische conglomeraat is dus een goed gidsgesteente omdat het oorsprongsgebied bekend is.

 

Vlammen-pegmatiet

Viborgiet

Zo noemt men een groep lichtkleurige, meest grofkorrelige veldspaat/kwartsgesteenten, die ooit pegmatieten waren, maar door krachten in de aardkorst gemetamorfoseerd raakten. Door gerichte druk in de aardkorst kregen ze het uiterlijk van gneis.

Vlammenpegmatiet wordt zo genoemd, omdat de bestanddelen - kwarts en kaliveldspaat en plagioklaas - uitgewalst werden tot soms vlam-achtige vormen en structuren. Aan zwerfstenen is dit vaak goed te zien.

Vlammen-pegmatiet is nog niet zo lang erkend als gidsgesteente. Aan de zuidwestkust van Zweden komen in het grondgebergte talloze smalle en bredere gangen voor van oranje tot oranjerode pegmatiet. Sommige van deze pegmatieten zijn weinig gedeformeerd, andere daarentegen veranderden door gebergtedruk in gneis en ogengneis. Er komen zelfs schriftgranieten onder voor. Het deformatieproces vond plaats tijdens de laatste grote gebergtevorming in het Precambrium, toen Zuid-Noorwegen en Zuidwest-Zweden deel uit maakten van de botsingszone van twee continentale landmassa's. Uit deze Zweeds-Noorse orogenese ontstond een hooggebergte, dat in de loop van de tijd tot op zijn wortels geërodeerd werd en van de kaart verdween. Alleen de (wortel)gesteenten in genoemde gebieden getuigen van deze gebeurtenis.

Vlammenpegmatiet is een prachtig gesteente, (geel)oranje tot oranjerood met verspreid vlammen en vegen van geelachtige en ook uitgewalste plagioklaas. De heldergrijze kwarts is door druk uitgewalst tot strepen en lenzen. Nogmaals de mate van deformatie in vlammenpegmatiet is erg wisselend. Bij twijfel noemt men het gesteente gewoon gedeformeerde pegmatiet.

Rapakivizwerfstenen zijn er zat, zowel in aantal als in 'soort'. Het belangrijkste type is Aland-rapakivi, een roodachtige graniet vol met witte ringetjes. Zwerfsteenliefhebbers houden aan de naam Aland-rapakivi vast. Het is tenslotte een steensoort waarvan de herkomst in Zuidwest-Finland bekend is. Een groot deel van de Aland-eilanden bestaat uit dit gesteente.

Gesteentekundig is Aland-rapakivi een Viborgiet. Het mooiste type, met ook de grootste ringenstructuur, komt voor in het oosten van Finland rond de stad Viborg. Vandaar de naam Viborgiet.

De witte ringen zijn van plagioklaas, een veldspaatsoort die  wit verweert. Ruimtelijk gezien vormt plagioklaas een dunne mantel rond de kogelvormige kaliveldspaten. Deze rondachtige veldspaten duidt men aan als ovoïden (van ovos=ei). Aland-rapakivi - dit is in de petrologie nu eenmaal afgesproken - is ook een Viborgiet. De korrelgrootte van de mineralen doet hierbij niet ter zake.

Zwerfsteenliefhebbers maken onderscheid tussen Viborgiet van het Aland-type (Aland-rapakivi) en 'echte' Viborgiet. Deze laatste bezit ovoïden met plagioklaasmantels die veel grotere doorsneden bezitten. Deze viborgieten zijn als zwerfsteen uitermate zeldzaam. Waar ze precies vandaan komen is niet bekend. Het oorsprongsgebied zou het onderzeese Noord-Baltische rapakivimassief kunnen zijn, dat op de bodem van de noordelijke Oostzee voor een deel bloot ligt. In de ijstijd werden deze gesteenten door het gletsjerijs geërodeerd. Maar nogmaals Viborgiet met ovoïden van 4cm en meer en dikke ringen van plagioklaas komen als zwerfsteen nauwelijks voor. Ik vond eerder in Emmerschans een grote zwerfkei, de eerste volgens mij. De tweede werd aangetroffen in de Hortus in Haren. Het is geen schoonheid, maar bijzonder is deze wel. De grote kei krijgt vast een prominente plaats in het  bezoekerscentrum van de Hortus in Haren.

Tilliet

Tinguaiet van Dalarne

Ik hou er doorgaans niet van om in superlatieven te schrijven, maar er zijn uitzonderingen. Langs de kust bij Langö op Fünen in Denemarken lag een uitgestrekt steenstrand, bezaaid met stenen en vooral grote zwerfblokken. Jammer dat de schuinstaande zon fel scheen. Geeft harde schaduwen. Bewolkt weer met, indien mogelijk, motregen, is ideaal om zwerfstenen te zoeken en te fotograferen.

Tussen de duizenden zwerfblokken lag een grijsgroene kei van ca. 50cm doorsnede. In de steen zaten allerlei grindstenen. de conclusie van conglomeraat lag voor de hand. De stenen ofwel klasten in de kei lagen echter apart van elkaar ingebed en waren ook verschillend van samenstelling en grootte. Sommige waren afgerond, andere niet. De grondmassa is fijnkorrelig. Wel een conglomeraat, maar anders. Hiervoor bestaat een generieke naam: diamictiet.  

Diamictiet is een uitdrukking voor sedimentgesteenten, die ongelaagd zijn en grovere bestanddelen bevatten, die op een chaotische, ongeörienteerde wijze in het gesteente voorkomen. Bestaan de klasten uit verschillende gesteenten, zoals in de kei op de foto, dan is de conclusie: deze diamictiet is hoogstwaarschijnlijk een tilliet.

Tilliet is versteend keileem, afkomstig uit de Varanger-ijstijd van zo'n 750 tot 630 miljoen jaar geleden. Deze Laat-Precambrische ijstijd heeft in Scandinavië op verschillende plaatsen tillieten nagelaten. Waar de betreffende steen vandaan komt is onzeker. De omgeving van Moelv in Zuid-Noorwegen is uitgesloten. Petrografisch is de tilliet daar anders. Noord-Noorwegen evenzeer. Eerder komt een smalle zone op de overgang van het Caledonisch gebergte en de oude gesteentesokkel van het Baltisch schild in Zweden in aanmerking. Een bijzondere vondst dus.

Tijdens een geo-excursie van het Hunebedmuseum in Borger naar het Emsland, vond één van de deelnemers een merkwaardige en tegelijk opvallend blauwgroene zwerfsteen. De steen zat weliswaar vol vlekken, maar de kleur intrigeerde. Meenemen dus.

Na twee dagen 'in bad' met dikke bleek, kwam de kei schoon te voorschijn. Hoewel afwijkend van het bekendste zwerfsteentype is het een Tinguaiet uit Dalarne in Midden-Zweden.

Tinguaiet is een zeer zeldzame zwerfsteensoort, afkomstig uit de omgeving van Särna in Dalarne, en is van vulkanische oorsprong. Het gesteente vormt tot 3 meter brede spleetvullingen in een omgeving met andere vulkanieten.
Tinguaiet is in feite een verouderde naam, maar als zo vaak in de zwerfsteenliefhebberij zijn eenmaal ingeburgerde namen vrijwel niet uit te roeien.

Tinguaiet is een 'onderverzadigd' gesteente. Dit wil zeggen dat voor het vormen van veldspaten te weinig silica in het magma aanwezig was. Naast gewone veldspaat ontstaan dan ook zogenoemde veldspaatvervangers als nefelien en cancriniet. Deze veldspaatvervangers noemt men foïden. In de petrografie worden dergelijke, foïden bevattende, vulkanieten fonoliet genoemd.

In veel typen Tinguaiet zijn zwarte naalden van aegerien aanwezig, vaak enigszins parallel gerangschikt. Deze ontbreken in dit type. Aegerien is wel aanwezig, maar vormt in deze zwerfsteen kleine zwarte pitjes.
Een prachtige vondst. Zondermeer!

Aland graniet-porfier van dichtbij

Smaland-graniet met kataklase

Veel zwerfsteenverzamelaars zagen en polijsten hun vondsten. Je ziet het gesteente dan zoals het werkelijk is: kleur- en structuurrijk en onverweerd. Min of meer hetzelfde effect bereik je als je van een kei een stuk af slaat en dat nat maakt. Ook dan zijn details prachtig zichtbaar. Daarom is het meenemen van een kleine drukspuit met water handig bij het zoeken in groeves en vooral langs steenstranden langs de Oostzee. Vooral daar zijn de keien door de branding afgerond en ontbreken verweringsverschijnselen. Even natmaken en je ziet gelijk wat je hebt opgeraapt.

Op de foto van deze gepolijste graniet-porfier is een opvallend vierkant/ruitvormig eerstelingkristal zichtbaar. De relatief dikke vuilgroene rand is van plagioklaas. Deze omhult een kristal van kaliveldspaat. Bij rapakivi's is het heel gewoon dat mineralen ringen, kransen en omhullingen om elkaar heen vormen. Het vaakst zie je plagioklaas rond kaliveldspaat. Bij Aland-rapakivi spreek je niet voor niets van 'ringetjes-graniet'.

Rond het vierkante eersteling-kristal is een heel fijn 'gewriemel' zichtbaar van fijngrafisch vergroeide veldspaat en kwarts. Het is een soort schriftgraniet in micro-uitvoering. Naar buiten toe worden deze vergroeiingen grover van aard.

De ronde grijze vlekken zijn doorsneden van kwarts. Kwartskristallen vormden oorspronkelijk in rapakivi's vaak fraaie dubbelpiramides. Door magmatische stroming en mogelijk ook door samenstellingsveranderingen in het magma zijn deze kwartseerstelingen deels weer opgesmolten. Gecorrodeerd noemt men dit. In Aland kwarts-porfier zijn de ronde kwartsen zelfs doortrokken van kleine oplossingsgangetjes en uithollingen. In de graniet-porfier op de foto is dit niet het geval.

Al het oranje op de foto is kaliveldspaat, de grijze vlekjes zijn kwarts. De donkere vlekken zijn van biotiet.

Aland-granietporfier is een zeer gewone zwerfsteen in het Hondsruggebied. Een soort huismus. Bij het zoeken kijk er nauwelijks meer naar om. Gezaagd en gepolijst wordt het een ander verhaal. Zo vertellen zwerfstenen steeds weer nieuwe verhalen.

Onder noordelijke zwerfstenen zijn ze niet zeldzaam, stenen met verschijnselen van kataklase. De groen met rode granieten zijn het makkelijkst herkenbaar.

Vooral langs de steenstranden aan de Oostzee in Duitsland en Denemarken is dit type zwerfsteen makkelijk te vinden, vooral als ze nat zijn. Het zijn dan uiterst aantrekkelijke stenen. Zwerfsteenliefhebbers en badgasten zoeken ze graag.

Kataklase is een verschijnsel in gesteenten, waarbij sprake is van vergruizing van de minerale bestanddelen. Dit treedt op als gesteenten langs breukenten opzichte van elkaar  verschuiven. Door de enorme druk worden de minerale bestanddelen verbrijzeld, ze versplinteren en vergruizen vaak stoffijn.

Na dit vergruizingsproces vindt in de aardkorst verkitting plaats van gruis en gesteentemeel. Omdat kataklase optreedt op vrij grote diepten, speelt heet grondwater een belangrijke rol. Bestanddelen als plagioklaas worden hierbij hydrothermaal omgezet in pistache-groene epidoot. De vaak roodachtige kaliveldspaat blijft onveranderd. In de zone met kataklase komen allerlei kleine en soms ook grotere gesteentesplinters voor. Ook in de steen op de foto is dit het geval. Vooral de grijsblauwe kwartsstukjes zijn goed zichtbaar.

Kataklase is in allerlei vormen in zwerfstenen te bewonderen.

Rhombenporfier

Desquamatie

Sommige zwerfsteensoorten hebben namen die bij liefhebbers een magische klank hebben. Vaak komt dit door zeldzaamheid, uiterlijk en of samenstelling. Bij rhombenporfier met zijn opvallende porfierstructuur is het de combinatie van deze kenmerken.

Iedere beginnende zwerfsteenverzamelaar droomt ervan om een rhombenporfier te vinden, het liefst in Nederland. Loop je al een paar jaren mee en je had nog niet het geluk om er een te vinden? Het is alsof je dan nog niet bij de 'club' hoort. Doorzoeken dus. Vroeg of laat kom je er heus wel een tegen.

De bijzondere klank van rhombenporfier is vooral te danken aan zijn zeldzaamheid en zijn herkomst. Geologisch gezien is dit gesteente jong. Langs een diep reikend breuksysteem in de aardkorst is in het Laat-Carboon en vooral in het Vroeg-Perm, zo'n 280 miljoen jaar geleden, rond de Noorse stad Oslo in Zuid-Noorwegen, een reeks heel bijzondere gesteenten ontstaan. Rhombenporfier is daar één van.

Mondiaal gezien is rhombenporfier erg zeldzaam. Rhombenporfieren komen op aarde voor in Noorwegen, Kenia en op Antarctica, verder nergens. Het gesteente ontstond uit lava dat via spleten over het aardoppervlak uitvloeide. Iedere eruptie leverde zijn eigen rhombenporfier-type op. In het Oslo-gebied heeft men zo'n 23 aparte lavadekken gevonden met idem zoveel typen rhombenporfier. Ook binnen één lavadek kan de variatie vrij groot zijn. Daarnaast komt rhombenprofier voor als spleetvullingen in het omringende, veel oudere gesteente. Sommige spleetvullingen zijn tientallen kilometers lang. Kortom, rhombenporfier is een kameleon. Een verzameling krijg je daarom nooit compleet.

Bijzonder is vooral het uiterlijk. In een dichte tot fijnkorrelige grondmassa 'zweven' tal van onregelmatige, meest spoel- en ruitvormige veldspaateerstelingen. Aantal en vorm wisselen enorm. In verweerde vorm contrasteren de eerstelingen sterk met de matrix. Dit maakt herkenning zo makkelijk. Rhombenporfier is een syenietporfier, bezit dus geen kwarts.

Op de foto een rhombenporfier, gevonden in Ellertshaar in Drenthe. Het is geen zwerfsteen uit de voorlaatste, meest bekende Saale-ijstijd, maar een zwerfkei uit de Cromerien C- ijstijd, van zo'n 470.000 jaar geleden.

Soms vind je zwerfstenen met een merkwaardig gecraqueleerd oppervlak. De steen toont een patroon van scheuren dat zich tot op enige afstand onder het oppervlak voortzet. De kern van de steen is volkomen gaaf.
Vreemd toch?

Er is een verklaring voor. Het gaat niet om een of andere vorm van chemische verwering, hoewel dit in aanleg wel een rol speelt. Diabaas - dat is de steen op de foto - bevat ijzerhoudende mineralen die bij verwering tot roestvorming leiden. Het gevolg hiervan is een volume-toename door de vorming van roestproducten.

Dat het verschijnsel vooral bij fijnkorrelige diabazen en basalten optreedt, wordt veroorzaakt door verwering en oplossing van plagioklaas. Hierdoor neemt in de buitenlagen van de steen het porie-volume sterk toe. Deze poriën spelen een belangrijke rol. Zij zijn de oorzaak dat zich aan de buitenzijde van de stenen een opvallend patroon van barsten ontwikkelt.

De eigenlijke oorzaak is ijsvorming. Bodemwater dat via poriën in het gesteente dringt, oefent bij bevriezing een enorme druk uit. Hierdoor kunnen heel kleine scheurtjes ontstaan. Bij herhaaldelijk bevriezen, ontdooien en weer bevriezen ontstaan steeds meer en ook grotere barsten. Omdat het effect betrekkelijk gelijkmatig in het gesteente optreedt, ontstaat automatisch een patroon dat aan gebarsten glazuur herinnert. Dit verweringseffect noemt men desquamatie.

Desquamatie treedt alleen op bij hevige koude, zoals die vooral aanwezig was in de tweede helft van de laatste ijstijd. Dit wil niet zeggen dat het verschijnsel zich ook al niet voordeed in de Saale-ijstijd. De druk die bij het bevriezen van poriewater optreedt is enorm. Bij temperaturen onder -20 graden C. zien we deze oplopen tot meer dan 2000 kg/cm2. Veel gesteenten geven het al op bij enige tientallen kg/cm2!

Sormland-gneis (Granaat-migmatiet)

Väggeryd-syeniet

Zo noemt men deze opvallende, breedgebande gneizen met granaten. Het gesteente komt voor in de omgeving van de Zweedse stad Stockholm. Zwerfstenen ervan zijn niet zeldzaam.

Het gesteente is een gneis, beter gezegd een migmatiet(gneis). Migmatiet is een ultra-metamorf gesteente, dat een aparte positie in de gesteentenwereld inneemt. Migmatietgesteenten vormen a.h.w. de overgang van metamorfe naar magmatische gesteenten.

Migmatieten ontstaan op grote diepte in de aardkorst door langzame metamorfose uit andere metamorfieten. Hoge druk en vooral ook hoge temperatuur bereiken waarden, waarbij mineralen als kwarts en veldspaat opsmelten. Het gloeiend hete vloeibare materiaal migreert naar scheuren en spleten in het gesteente en kristalliseert daar uit tot graniet, pegmatiet en soms schriftgraniet. Dit zijn de lichtkleurige banden en strepen in een migmatiet. De oorspronkelijke gneis is door zijn rijkdom aan biotiet veel donkerder. De granaten daarin zijn ook anders van vorm, meer amandelvormig. In de lichtkleurige delen hebben ze hun eigen vorm. 

Tijdens  metamorfose kunnen, afhankelijk van omstandigheden en samenstelling van het uitgangsgesteente, nieuwe mineralen gevormd worden. Rode granaat is hiervan een fraai voorbeeld. Ze zijn maar tijdelijk, want veranderen de omstandigheden, dan vallen deze nieuwgevormde granaten in hun bouwstenen uiteen en vormen zich daaruit weer andere combinaties (lees mineralen).

Sormland-gneis onderscheidt zich van vrijwel gelijke verwanten op andere locaties in Scandinavië, door het gemis aan kwarts.

Deze Sormland-gneis was één van de mooiste grote zwerfstenen in de Keientuin in Borger. Was, moet ik zeggen, want de kei is namelijk ontvreemd. Hij is jammer genoeg niet de enige die in de loop van de tijd door 'verzamelaars' is meegenomen.

Väggeryd-syeniet is als gidsgesteente bij veel verzamelaars van noordelijke zwerfstenen bekend. Niet dat dit type zwerfsteen bij ons veel voorkomt. Bepaald niet. Meer en ook mooier vinden wij ze langs de Oostzeekusten in Duitsland en vooral in Denemarken. Op het eiland Als en Langeland is deze syeniet niet zeldzaam. Het vreemde is dat dé Väggeryd-syeniet er heel anders uitziet dan de steen op de foto.

De zwerfsteen op de foto kreeg ik kort geleden onder ogen bij Renate Bönig in Lüneburg. Zij had de steen gevonden op de steenhopen in een zandgroeve bij Vastorf, zuidoostelijk van Lüneburg. Ik had hetzelfde type jaren eerder al op Fünen in Denemarken gevonden. Herkenning was dus niet moeilijk.

De Väggeryd-syeniet op de foto komt als vast gesteente voor bij Väggeryd in West-Smaland (Zuid-Zweden). Het is een zogenoemde randfaciës. Dit wil zoveel zeggen dat dit gesteente aan de buitenzijde van het syenietvoorkomen voorkomt. Inmiddels zijn van dit type, dat op het eerste gezicht sterk aan een rhombenporfier doet denken, tientallen exemplaren gevonden.

Opvallend zijn de lichtkleurige eersteling-kristallen van veldspaat. Deze zijn rhombisch, spoel-, vis of zelfs stervormig. In het laatste geval zijn een aantal veldspaat-eerstelingen met elkaar vergroeid. Kwarts ontbreekt vrijwel geheel. Onder de binoculair valt hier en daar een enkel heel klein kwartskorreltje te ontdekken, soms in kleine strengetjes gerangschikt rond de veldspaten.

Deze Väggeryd-randfaciës is variabel in kleur en structuur: grofkorrelig en fijner gekorrelde typen komen voor, die bruin, grijs en ook roodachtig van kleur kunnen zijn.

Herkenning is niet moeilijk. Zwerfstenen lijken op het eerste gezicht op rhombenporfieren.

Migmatiet met een granaat-porfyroblast

Nebulietische migmatiet

Migmatieten zijn ultra-metamorfe gneisgesteenten. Ze ontstaan bij hoge druk en temperatuur vaak op vele tientallen kilometers diepte in de aardkorst. Waar ze aan het oppervlak liggen, zoals in Zweden en Finland, loop je over de wortels van oude hooggebergten. Sinds hun ontstaan, zo'n slordige 1800 miljoen jaar geleden, is een kilometers dik pakket van gesteenten boven deze migmatieten door verwering verdwenen.

In de Saale-ijstijd zijn talloze migmatieten als zwerfsteen naar ons land vervoerd. Ze geven een inkijkje in processen die zich op voor ons onbereikbare diepten plaats vinden. Zo ook deze migmatiet met zijn grote granaat-porfyroblast.

Een porfyroblast is een uitdrukking in de geologie voor kristallen in metamorfe gesteenten. Porfyroblasten onderscheiden zich door hun grootte van de grondmassa er omheen. Onder bepaalde druk- en temperatuurverhoudingen kunnen door diffusie via microporiën in het metamorfe gesteente nieuwe kristallen ontstaan. Ze groeien ten koste van de omgeving. Het gesteente blijft daarbij vast Door de enorme druk op deze diepten zijn veel porfyroblasten niet fraai van vorm. Vaak zijn ze oog- of amandelvormig. Denk maar aan ogengneis. De eigen kristalvorm is vaak afwezig.

Porfyroblasten kunnen van een paar millimeter tot vele centimeters groot zijn. De granaat in deze zwerfsteen van Zuidlaren is een bijzonderheid. Het kristal is maar liefst 12cm groot.

Deze granaat, inclusief migmatiet er omheen ligt in de keientuin van het Hunebedcentrum in Borger.

Nebuliet is een ultra-metamorf gesteente. Het is bij wijze van spreken nog maar één stap verwijderd van echte graniet.

Nebuliet is feitelijk een migmatiet ofwel een menggneis. Het gesteente ontstaat op tientallen kilometers diepte in de aardkorst door langzame progressieve metamorfose uit gneisachtige gesteenten.

Op het eerste gezicht herinnert niets in de steen aan zijn gneisverleden, behalve bovenaan. Daar is een rommelige afwisseling zichtbaar van donkere en lichtere gedeelten. Dit is een restant van het oorspronkelijke gneisgesteente. De overige mineralen (veldspaat, kwarts en biotiet) zijn door langzame diffusie/opsmelting en kristallisatie uit gneis ontstaan. Aangezien het gneisgesteente vrijwel nergens nog goed zichtbaar is, noemt men dit gesteente een nebuliet (nebula=mist).

Graniet geldt als een stollingsgesteente, dat door langzame kristallisatie uit magma ontstaat. Tenminste, zo staat het de boeken. Veel granieten op aarde ontstaan echter, via een flink aantal tussenstappen, langs metamorfe weg.

Bij gesteenten is ook sprake van een kringloop. Graniet verweert tot zand en klei. Deze afzettingen worden in de aardkorst door druk en temperatuur langzaam omgezet. Klei verandert in leisteen. Leisteen gaat vervolgens over in glimmerschist, daarna in gneis, migmatiet en nebuliet, om tenslotte weer graniet te worden. Dat hier vele miljoenen jaren mee gemoeid zijn, snapt waarschijnlijk iedereen. Nebulieten zijn als zwerfsteen niet zeldzaam te vinden.

Myloniet ogen-gneis met kataklase

Jotnische zandsteen met druppel-inslagen 

Deze gneis toont op aanschouwelijke wijze twee gebeurtenissen, die gesteenten soms ondergaan. Bij metamorfose op grote diepte in de aardkorst veranderen gesteenten geleidelijk van samenstelling en structuur. Zijn de dynamische krachten bijzonder groot, dan treedt een soort vermalingsproces op. Tegelijkertijd vindt een heroriëntatie en groei van de minerale bestanddelen plaats. Dit alles gebeurt in vaste toestand. Wel kan de temperatuur hierbij flink hoog zijn. Deze gesteenten noemt men myloniet (Gr. mylos = malen)

Onder invloed van druk richten de uitgewalste minerale bestanddelen zich loodrecht op de drukrichting. Zo ontstaat een gestreepte gneisstructuur. Door diffusie via microporiën ontstaan er tevens nieuwvormingen, die in deze gneis vooral uit oranje kaliveldspaat bestaan. Ze vormen meer of minder duidelijke lensjes, vlekjes en en oranje banden in het gesteente.

In de bandvormige strepen zijn talrijke heldere pitten zichtbaar. Dit zijn nieuwvormingen, amandel- tot oogvormig van lichter getinte veldspaat. Deze ogen zijn kristallen die ten koste van de omgeving groeien, ook in vaste toestand. Omdat ze in een metamorfe omgeving ontstaan zijn, noemt men deze pitten 'porfyroblasten'.

Bijzonder is dat deze gneis tevens een mooi voorbeeld is van kataklase. Als gevolg van verplaatsingen van gesteentedelen langs smalle breukzones, treedt breukvorming, verbrijzeling en zelfs vermaling van het gesteente op. Kataklase vindt doorgaans plaats op niet al te grote diepte, als gebergtevormende krachten het gesteente laten breken en verbrokkelen. In deze steen is heel fraai te zien dat breukschade vooral is opgetreden in het linker gedeelte. Langs de breukzone heeft verschuiving plaatsgevonden, zodanig dat in het linker deel een reeks smalle rekspleten zijn ontstaan. De oranje veldpaatband links onderaan laat een verdergaande deformatie zien. Deze zone is naar onderen omgebogen, met hier en daar breuk- en vermalingsverschijnselen. Dit bewijst dat het gesteente niet in half gesmolten toestand moet hebben verkeerd, maar zich naar de omstandigheden ductiel heeft gedragen.

Onder noordelijke zwerfstenen zijn zandstenen niet zeldzaam. Toch laten ze de harten van stenenverzamelaars niet gauw sneller slaan. Jammer, en ook onnodig. Iets dat ogenschijnlijk een saaie indruk maakt, kan soms een boeiend verhaal vertellen. Dat doen stenen sowieso, maar kristallijne zwervelingen hebben nu eenmaal vaak een beter verhaal.

Zandsteen bestaat in hoofdzaak uit stukjes kristal, kwarts in dit geval. De zandkorrels kwamen vrij door verwering van granietbergen, gneiscomplexen en...andere zandsteenafzettingen. Veldspaat, glimmer en andere mineralen zijn niet aanwezig. Die lossen op en veranderen in kleimineralen. Kwarts doet daar niet aan. Het is chemisch vrijwel onaantastbaar, net als zilverwitte glimmer.

Zandsteen heb je van alle tijden en je hebt ze in alle kleuren en vormen. Deze rode zandsteen is wat dit betreft niet bijzonder. Rood is meestal een aanwijzing dat het zand waaruit deze zandsteen later ontstond, in een droog koud of warm klimaat is afgezet. Optrekkend bodemvocht bevat altijd wat opgelost 2-waardig ijzer. Bij uitdroging komt dit in contact met zuurstof waardoor het oxideert tot 3-waardig ijzer. Hematiet is zo'n ijzeroxide. Het vormt heel dunne huidjes om de zandkorrels, die daardoor rood kleuren. Rode zandstenen zijn daarom vaak woestijngesteenten.

Woestijnen zijn van van alle tijden. Voor deze zandsteen moeten we ruim 1,5 miljard jaar terug in de geschiedenis. Toen had je ook klimaatzones op aarde, maar nog geen planten. Het land lag er toen volkomen kaal bij, overal op aarde. Het regende natuurlijk wel, ook in woestijnen gebeurt zoiets. Dit is aan deze zandsteen te zien. De bobbeltjes op het splijtvlak zijn de opvullingen van regendruppelinslagen. Fossiele sporen van regen van 1500 miljoen jaar oud!

De steen is een zogenoemde rode Jotnische zandsteen, afkomstig uit het noorden van de Oostzee of de zuidelijke Botnische Golf en gevonden op het Hoge Veld bij Norg (Dr.).

Rapakivi-graniet van Drammen

Drammen-graniet

Vlotte kans dat u van deze steensoort niet eerder  gehoord heeft. Drammen is een plaats bij Oslo in Zuidoost-Noorwegen. Het ligt in het midden van een oude breukzone van ca. 200 km lang en zo'n 50 km breed. Op het eind van het Carboon en in het Perm zijn in Zuid-Noorwegen langs zeer diep reikende breuken repen aardkorstgesteenten duizenden meters weggezakt. Gevolg, veel vulkanisme. Het breuksysteem werd veroorzaakt door naweeën van gebergtevorming elders in Europa. Het Zwarte Woud, Fichtelgebergte, Thüringerwoud e.d. zijn toen ontstaan. In de riftzone rond de huidige stad Oslo ontstonden talrijke vulkanen. Daarvan is door verwering niets meer over, behalve talrijke vulkanische gesteenten. Rhombenporfier is hier één van.

Op het eind van de onderaardse activiteiten ontstonden op tal van plaatsen in de riftzone magmahaarden, waarin magma met vaak een heel bijzondere samenstelling kristalliseerde tot allerlei dieptegesteenten, zoals syeniet en ook graniet.
Bijzonder is dat uit die tijd rond de stad Drammen meest zalmkleurige granieten voorkomen, die qua structuur overeenkomen met bekende rapakivi-typen, die wij als zwerfsteen zo vaak op de Hondsrug aantreffen. Alleen de samenstelling is anders. Bovendien verschillen ze zo'n 1400 miljoen jaar in leeftijd. Deze Oslo-rapakivi's zijn als zwerfsteen erg zeldzaam. Alleen op een paar plaatsen in Noordwest-Duitsland en vooral in Noord-Denemarken vind je ze veel.

Van nagenoeg alle rapakivi-typen op Aland in Finland, zijn in het Oslo-gebied overeenkomende structuurvarianten gevonden: rapakivi, pyterliet, kwartsporfier, granietporfier, porfier-apliet en apliet. De veldspaatsamenstelling in deze Oslo-rapakivi's is echt anders. Ze zijn rijker aan natrium dan aan kalium. Vandaar dat de veldspaten op het breukvlak een mattere glans bezitten. Ook de kleuren zijn bleker, meer pastelkleurig dan bij echte rapakivi's. Op de foto is de zalmkleurige Drammen-rapakivi afgebeeld, zoals die bij Solumstranda in het Oslo-gebied als vaste rots te zien is. 

Zwerfstenen uit Scandinavië zijn in onze streken merkwaardig verspreid. Op de Hondsrug vind je heel veel roodachtige rapakivigranieten, met als bekendste Aland-rapakivi. Deze graniet is makkelijk aan zijn witte ringetjes te herkennen. Elders in ons land kom je rapakivi's veel minder tegen. Zwerfstenen uit het verre noorden van Zweeds Lapland, die op de Hondsrug evenmin zeldzaam zijn, zul je elders in ons land nauwelijks tegen komen.

Naast Finland en Zweden kennen we ook zwerfsteensoorten uit Zuid-Noorwegen. Bij zwerfsteenliefhebbers staan deze in hoog aanzien. Deels komt dit door hun zeldzaamheid. In ons worden ze weinig gevonden. In tientallen jaren verzamelen, heb ik op de Hondsrug ooit één klein zwerfsteentje van rhombenporfier gevonden, terwijl je er op andere vindplaatsen bij wijze van spreken over struikelt. Dit laatste vooral in Noord-Denemarken, op de stranden rond de Limfjord en langs de Noordzeekust daar.

In een strook van ruim 200 bij 50 km rond de Noorse stad Oslo komen zeer bijzondere gesteenten voor. De bekendste daarvandaan is rhombenporfier. In geologisch opzicht zijn het 'jonkies'. Door spanningen in de aardkorst zijn in het Laat-Carboon en tijdens het Perm repen aardkorst in een riftzone weggezakt. Dit was aanleiding tot uitbundig vulkanisme, waarbij in eerste instantie veel basalt en talloze rhombenporfier-afzettingen gevormd werden, later gevolgd door een hele reeks andere gesteenten, waaronder een aantal syenieten. Door hun zeldzaamheid worden deze 'Noorse syenieten' gekoesterd. Mondiaal gezien zijn sommige ook uniek te noemen. Ze komen nergens anders voor.

Naast syenieten zijn er op het laatst in het Perm op enige kilometers diepte in de aardkorst ook dieptegesteenten ontstaan, waaronder granieten. Het zijn zgn. alkali-granieten, met een bijzondere veldspaat-samenstelling. Zonder in details te treden, zijn deze granieten aan hun pastelkleuren en vooral aan de ietwat matte glans van de veldspaten op het breukvlak te herkennen. Drammen-graniet is een typisch voorbeeld van zo'n alkali-graniet. Zalmkleurig met hier en daar bleke plagioklaas en vooral veel kwarts. Het type op de foto is hiervan een fraai voorbeeld. Bijzonder is nog dat alle bekende typen zwerfsteen-rapakivi's, die uit Finland bekend zijn, hun pendant hebben in het Oslo-gebied. Toch zijn ze niet verwant.

Eksjö-graniet

Filipstad-graniet

Eksjö-graniet ofwel bonte Smaland-graniet ofwel pseudo Siljan-graniet.

Heel wat zwerfsteenliefhebbers zullen zich bij het lezen hiervan achter de oren krabben. Wat moet ik hiermee? Krab maar even door, want ontdekkingen in de zwerfsteenwereld slaan soms een gat in de bestaande kennis.

Siljan-graniet is een bekend gidsgesteente, dat in een aantal variëteiten voorkomt in de omgeving van het Siljanmeer in Dalarne in Midden-Zweden. Zwerfstenen ervan zijn in ons land niet erg zeldzaam. Het jammere is dat, de meeste zwerfstenen van Siljan-graniet niet afkomstig blijken te zijn uit Midden-Zweden en ook geen Siljan-graniet zijn.

Niet lang geleden zijn in Zuid-Zweden, meer precies bij Eksjö, zuidoostelijk van het grote Vättern-meer, talrijke zwerfsteen-granieten gevonden, die als twee druppels op Siljan-graniet lijken. Ze verschillen van de echte doordat die uit Smaland deformatieverschijnselen tonen. In Siljan-graniet uit Dalarne ontbreken deze.

Het vaste gesteente is weliswaar (nog) niet gevonden, maar moet ergens in de buurt van Eksjö voorkomen. Naast typen die sprekend op Siljan-graniet lijken, zijn er ook die er duidelijk van afwijken, meer gele plagioklaas hebben met kaliveldspaat die bleker rood is. Kwarts komt veel voor zowel grijs als grijsblauw. Kortom, een nieuwe ster aan het gidgesteenten-firmament. De foto laat zien dat het om een prachtige scherpkristallijne porfierische graniet gaat.

 

Gidsgesteenten hebben iets magisch. Je hebt een steen in de hand die vaak vele honderden kilometers verderop, uit Scandinavië komt. Iedereen die dat uitgestrekte gebied in het noorden heeft doorkruist, verbaast zich er over dat van zoveel zwerfsteensoorten überhaupt de herkomst in Scandianvië ontdekt is. De wetenschap dat je een opvallende granietsteen in handen hebt die uit de omgeving van Filipstad in Zweden komt, geeft een bijzonder gevoel. Geen wonder dat de meeste zwerfsteenliefhebbers zich op het verzamelen van gidsgesteenten richten.

Filipstad-graniet is niet zeldzaam. Zelfs in het Hondsruggebied in Drenthe komen ze voor. De grootst bekende zwerfsteen van Filipstad-graniet is gevonden bij Gieten en weegt maar liefst 12 ton.

Hoe herken je Filipstadgraniet? Deze graniet omvat een groot aantal verschillende varianten, die samen één familie vormen. Ze komen uit een langgerekt, vele honderden kilometers groot gebied dat zich noordelijk van het Vätternmeer bij Filipstad in Zweden, in noordwestelijke richting uitstrekt tot voorbij de Noorse grens. Het zijn vrijwel allemaal grof- tot grootkorrelige, porfierische granieten, met 1-6 cm grote rondachtige, rode, bruine tot grijsviolette kaliveldspaten. Deze veldspaten kunnen overigens verschillende tinten bezitten, zelfs in dezelfde steen. Sommige van de rondachtige kaliveldspaten bezitten een lichtkleurige rand van plagioklaas. Wat dit betreft doen sommige Filipstad-granieten aan rapakivigraniet denken. De kwarts is doorgaans grijs. Verder komt in de grondmassa veel donker materiaal voor, naast vrije kristallen van plagioklaas.

In het noordwesten van het verspreidingsgebied komen uitgesproken grofkorrelige bonte granieten voor met opvallende blauwe kwarts, roodachtige kaliveldspaat en gele tot geelgroene plagioklaas. Deze veelkleurige granieten noemt men 'tricolore-graniet'. De mooiste typen staan bekend als Barnarp-graniet. Kortom, Filipstad-graniet heeft een beetje het karakter van een kameleon, veel typen, veel kleurverschillen, maar alle hebben ze gemeen dat de ronde veldspaten vaak een ring bezitten van plagioklaas. Aan de verweerde buitenkant valt dit het duidelijkst op.

Porfierische rapakivi-graniet van Kökar

Zweedse Helsinkiet

Tijdens een inventarisatie van hunebedkeien bij Borger, zag ik een paar hopen stenen op de akker liggen. En.... als een ding zeker is, dan is het dat er in zo'n hoop keien ook rapakivi's te vinden zijn.

Rapakivi's vormen een uitgebreide familie van verwante granieten en granietachtige gesteenten. De steen op de foto is waarschijnlijk een van de mooiste typen rapakivi-graniet die we kunnen vinden. De zwerfsteen komt van de kleine Kökar-archipel, in het uiterste noordoosten van de Oostzee, net onder de Aland-eilanden.

Het zijn prachtige, scherpkristallijne gesteenten, meestal (geel) oranje tot roodachtig, met in een korrelige grondmassa van kaliveldspaat, plagioklaas, kwarts en biotiet, opvallende grotere kristallen van kaliveldspaat en kwarts. Vooral die laatste zijn relatief groot, rondachtig en vaak blauwgrijs gezoneerd. Sommige kwartsen hebben een meer rookachtige tint. Scherpkristallijn wil zeggen, dat de afzonderlijke mineralen met het blote oog goed van elkaar te onderscheiden zijn. Is de korreling van de grondmassa erg fijn, dan spreken we van Finse graniet-porfier. Beide - porfier-graniet en graniet-porfier -  gaan naadloos in elkaar over.

Rapakivi's komen in Scandinavië voor in een flink aantal afzonderlijke voorkomens. Deze liggen als eilanden te midden van oudere grondgebergte-gesteenten. Rapakivi's zijn jonger dan de gesteenten in hun omgeving. Scheelt al gauw een paar honderd miljoen jaar. De rapakivi-gesteenten van Kökar en Aland zijn ongeveer 1640 miljoen jaar oud.

Het rapakivimagma is ontstaan door opsmelting van de onderste aardkorstgesteenten. Bij de vorming van basaltisch magma uit de mantel en het opstijgen daarvan in de aardkorst, zijn door de hoge temperatuur (ca.1300 C) gesteenten onderin de aardkorst opgesmolten. Het magma dat hieruit gevormd werd, bevatte zeer weinig vluchtige bestanddelen. Daarom komen pegmatietische rapakivi's ook nauwelijks voor. Als zwerfsteen zijn die een paar maal gevonden, zelfs in de vorm van schriftgraniet. 

De kleurcombinatie rood en groen maakt Zweedse Helsinkiet bij jong en oud tot een aantrekkelijk gesteente. Dit is de belangrijkste reden dat deze rood-groene zwerfstenen veel opgeraapt worden langs de Duits-Deense stranden van de Oostzee. Door golfslag ronden de keien elkaar in de brandingszone af, waardoor de stenen hun oorspronkelijke kleuren onverweerd tonen. Zweedse Helsinkiet valt vooral op in vochtig natte toestand. In ons land ogen zwerfstenen van Zweedse Helsinkiet door verwering van de buitenzijde een stuk ingetogener.

Wat zijn die kleurige bestanddelen? Allereerst is de variatie onder Zweedse Helsinkiet enorm. De structuur wisselt niet alleen, ook de kleurintensiteit loopt sterk uiteen. Het rood in Zweedse Helsinkiet verloopt van licht roodgrijs naar prachtig scharlakenrood, het groen van bleek- naar pistachegroen.

Het rood komt van kaliveldspaat, dat vaak grote eerstelingen vormt te midden van groene epidoot. Daarnaast is een wisselende hoeveelheid donker mineraal aanwezig. Dat kan biotiet zijn, chloriet en/of hoornblende. Kwarts is in onbeduidende hoeveelheden aanwezig, maar ontbreekt vaak.

De bijzondere kleurcombinatie is het gevolg van metamorfose. In sommige zwerfstenen is epidoot gevormd nadat het gesteente - waarschijnlijk een graniet - al gekristalliseerd was en verder afkoelde. Hierbij zijn mineralen als plagioklaas en kwarts hydrothermaal verdwenen en vervangen door epidoot. Dergelijke Helsinkieten hebben het uiterlijk van een grof- tot grootkorrelig soms porfierisch stollingsgesteente.

De meest Zweedse Helsinkieten zijn in feite kataklasieten. Ze zijn ontstaan langs breukzones in gebergten, waarbij sprake is van sterke deformatie. Gesteentepakketten bewegen langs elkaar, waardoor mineraalkorrels breken, verbrijzelen en niet zelden stoffijn worden vermalen. Dit gebeurt op niet al te grote diepte in de aardkorst. Dergelijke Helsinkieten bezitten een veel onregelmatiger structuur, met breukverschijnselen en epidootrijke zones, zonder opvallende kristallen van rode kaliveldspaat. Ook bij deze gesteenten is de chemie van sommige mineralen door circulerend poriewater veranderd, waarbij epidoot en zwartgroene chloriet is ontstaan.

In de petrografie en ook in de siersteenhandel worden deze roodgroene gesteenten aangeduid als unakiet.

Rode Oostzee-ignimbriet

Tönsbergiet

Zwerfsteenliefhebbers kennen de gewone Rode Oostzee-porfier wel. In het Hondsruggebied zijn ze algemeen te vinden, echter vrijwel nooit in grote exemplaren.

Rode Oostzeeporfier is een vulkanisch gesteente, een silicarijke kwarts-porfier uit de rapakivifamilie. Het vaste gesteente komt voor in de noordoostelijke Oostzee, maar is helaas door zeewater bedekt. Het vermoeden is dat deze porfier afkomstig is uit het Noord-Baltische rapakivi-plutoon op de bodem van de Oostzee.

Onder Rode Oostzeeporfieren komen ook varianten voor als vulkanische breccies en allerlei typen ignimbriet. Deze laatste zijn te herkennen aan hun 'stromings'- of eutaxitische structuur. In een dichte grondmassa komen een groot aantal kleine, meest hoekige kaliveldspaatjes voor. Deze zijn in kleur iets donkerder dan de grondmassa. Verder vallen talrijke, eveneens kleine donkere kwartsjes op. Ze zijn maximaal een paar millimeter groot en net als de veldspaatjes hoekig, vaak vierkant.

Opvallend in het gesteente zijn talrijke grote en kleinere, ietwat golvend verlopende vlekken en vegen. Ze onderscheiden zich duidelijk van de grondmassa. Ze zijn parallel gerangschikt, alsof ze bij het ontstaan in een vloeistof gedreven hebben. Vandaar ook de uitdrukking 'fluïdaal' voor deze structuurvorm. De vegen en vlekken, die overigens aan insluitsels doen denken, worden 'fiamme' genoemd (It.=vlammen). Fiamme waren oorspronkelijk fragmenten puimsteen, die bij zeer heftige vulkaanuitbarstingen, samen met vulkanisch as, stof en steenfragmenten in de vorm van gloedwolken de vulkaanhelling afraasden.

Nadat het gloeiend hete vulkanische materiaal tot rust kwam, vormde het soms zeer dikke afzettingen, waarin de puimsteenbrokjes door de hoge temperatuur en door druk van bovenliggend materiaal plastisch vervormd werden tot onregelmatige 'pannenkoekjes'. Door de intense hitte sinterde het vulkanische materiaal aaneen tot een keihard gesteente, dat aan een stollingsgesteente doet denken. Op de foto kijken we aan tegen de dwarsdoorsneden van fiamme. 

Tönsbergiet is een (bruin)rood gekleurde variant van larvikiet. Larvikiet is bekend door zijn prachtige blauwwit oplichtende kristallen. Het gesteente is daarom een gewild soort natuursteen, dat met zijn ingetogen grijsblauwe kleur heel veel wordt toegepast in bekledingen van winkelpuien, grafmonumenten en ... aanrechten.

In larvikiet weerkaatsen veldpaten het invallende licht op een heel bijzondere manier, waardoor deze iriseren. Tönsbergiet doet dit niet, hoewel het gesteente toch echt ook een larvikiet is. Het gesteente komt voor aan de westoever van de Oslofjord in de omgeving van de plaats Tönsberg. Vandaar ook zijn naam.

Als zwerfsteen is Tönsbergiet bijzonder zeldzaam, zeker in Nederland. Op plaatsen waar typische Oslogesteenten zoals rhombenporfier en larvikiet meer voorkomen, zoals in Noord-Denemarken en verder ook langs de Oostzeekust en op sommige plaatsen in het grensgebied met Duitsland, komen ook zwerfstenen van Tönsbergiet voor.

Opvallend in het gesteente zijn de spits-rhombische witte veldspaten die lijken te zweven in een roodachtige grondmassa. De vorm van de spoelvormige veldspaten verraadt al de verwantschap met rhombenporfier. Dit laatste vulkanische gesteente is het uitvloeiingsgesteente van larvikiet en dus ook van Tönsbergiet.

De rode kleur van de grondmassa komt door kaliveldspaat, waarin behalve een piets kwarts ook vrije plagioklaas voorkomt. De donkere spikkels zijn van augiet en magnetiet. De rode kleur wordt veroorzaakt door hematiet (ijzeroxide).

Inslagbreccie (Impactiet)

Granofier-graniet van Angermanland

Toegegeven, er zijn mooiere zwerfstenen, veel mooiere zelfs. Vanwege hun uiterlijk vallen impactieten meestal niet in de prijzen. Gaat het om zeldzaamheid als zwerfsteen en als een voorbeeld van uiterst zeldzame interactie tussen heelal en aarde, dan is de steen zonder meer een topper.

Het onaanzienlijke, grijze en grijsbruine uiterlijk is het gevolg van eeuwenlange verwering in een doorlatende zandbodem. Van binnen zijn veel impactieten zeer donker. Ook bij deze steen is dit het geval. Verder vallen vaagbegrensde, onregelmatige slierten op. Ze zijn wat lichter van tint. Ook zijn hier en daar vage insluitsels van gesteente zichtbaar, vergezeld van talloze kleine witte kristallen en splinters van veldspaat. De matrix bestaat uit zeer fijn materiaal, dat veel weg heeft van vulkanische tuf.

Gesteenten als deze noemt men ook wel sueviet. De naam is te danken aan het poreuze impactgesteente, dat sinds de Romeinse tijd gewonnen wordt aan de randen van de ruim 20 km grote Rieskrater bij Nordlingen in Beieren in Zuid-Duitsland. Het breccieuze, tuf-achtige karakter met slierten (half)gesmolten gesteente is het gevolg van de alles vernietigende kracht van de inslag van een zeer grote meteoriet. In het Mioceen vond in Zuid-Duitsland zo'n inslag plaats, waarbij dat deel van Duitsland plus omstreken totaal verwoest werd.

De laatste keer dat de aarde getroffen werd door een enorm brok ruimtepuin was in de laatste ijstijd op de overgang van de warme periode van het Alleröd, 12.850 jaar geleden, in het noordwesten van Groenland. Het gevolg hiervan was de zeer plotselinge overgang naar de ruim 1000 jaar durende, intens koude Jonge Dryas.

De ouderdom van de impactietzwerfsteen is onbekend, evenals de plaats van herkomst. Zweden is waarschijnlijk, maar zeker is dit niet. Finland kan ook, waarbij de Oostzeebodem ook niet moet worden vergeten.

Granofiergranieten komen veel voor. Het zijn doorgaans homogene, fijn tot zeer fijnkorrelige rapakivi-granieten, die in hoofdzaak opgebouwd zijn uit kwarts en roodachtige kaliveldspaat. Beide mineralen zijn zo met elkaar vergroeid dat ze kleine, veelal radiaalstralige partijtjes vormen, waarin kwarts en veldspaat een soort mini-schriftgraniet met elkaar vormen.

In de fijn-grafisch vergroeide grondmassa komen verspreid grotere eersteling-kristallen voor van kaliveldspaat en kwarts; niet veel, hoewel de aantallen variëren. De donkere kwartsen zijn rondachtig en door corrosie aangetast. Donkere mineralen komen weinig tot niet voor. Dit laatste geldt vooral voor de granofieren die van Aland in Zuidwest-Finland komen.

De granofier op de foto, is in alle fijne onderdelen een prachtige granofiergraniet, waarin de grafische vergroeiingen bijzonder fraai ontwikkeld zijn. Bijzonder is dat het aantal eerstelingkristallen veel groter is en......deze zijn voornamelijk van plagioklaas. Dit laatste is niet vreemd als we zien dat het percentage donkere mineralen - hier vooral hoornblende en zwartgroene chloriet - ook relatief hoog is. Een toename van plagioklaas, gaat vrijwel altijd samen met een hoger percentage donkere mineralen.

Dergelijke basische granofieren zijn bekend van Angermanland, aan de kust van de Botnische Golf bij Sundsval. De vorm van de kwarts-eerstelingen sluit hier bij aan. Deze zijn niet steeds rond, maar hier en daar ook kegel- en elipsvormig. Dat de donker blauwgrijze kwartsen hier en daar lichter getint zijn, komt door beschadigingen in de vorm van butsen en krasjes.

Let dus op granofier-zwerfstenen met relatief veel plagioklaaskristallen en donkere mineraalplekjes. Deze komen dus niet van Aland, maar van veel noordelijker.

 

Gedeformeerde pegmatiet (myloniet-gneis)

Wit-sliertige granaat-amfiboliet

Zwerfsteenliefhebbers zullen bij het zien van deze naam, hun wenkbrauwen fronsen. Gedeformeerde pegmatiet? De steen op de foto is toch een gneis? Helemaal goed, maar de eerste naam klopt ook. Wat wil het geval?

Tijdens de Zweeds-Noorse orogenese (gebergtevorming), zo'n 900 tot 1100 miljoen jaar geleden, zijn in het kustgebied in Zuidwest-Zweden oudere gesteenten door gerichte krachten in de aardkorst gedeformeerd. De toen al aanwezige gneis-gesteenten waren doortrokken van talloze smalle en bredere gangen en lenzen van oranjekleurige pegmatiet. Deze lichtkleurige gesteenten waren samengesteld uit oranje kaliveldspaat en, heel karakteristiek, gele plagioklaas. Verspreid tussen de veldspaten lagen onregelmatige klodders grijsheldere kwarts. Donkere mineralen als biotiet kwamen in wisselende percentages voor.

Door deze Laat-Precambrische gebergtevorming werden de pegmatieten in meerdere of mindere mate gedeformeerd, waarbij ze in gneis veranderden. Hierbij zijn de mineralen ductiel vervormd, vergruisd en/of volkomen uitgewalst. Dit laatste is in de gneis op de foto het geval. Het gesteente is in feite een myloniet. Klodders grijze kwarts zijn tot lange strepen uitgewalst, bij de veldspaten, zoals de gele plagioklaas is dit ook het geval. De oorspronkelijk grote kristallen van oranje kaliveldspaat zijn hier en daar tot oogvormige lenzen gedeformeerd.

De karakteristieke kleur van deze gesteenten - oranje kaliveldspaat, gele plagioklaas en grijze kwarts - maken verwisseling met andere gneis-gesteenten vrijwel onmogelijk. Vandaar dat deze gedeformeerde pegmatieten uit Zuidwest-Zweden bij wijze van uitzondering als gidsgesteente kunnen dienen. Gesteentekundig een myloniet(gneis), in de zwerfsteengeologie tevens een gidsgesteente.

In Nederland erg zeldzaam, des te meer vind je zwerfstenen van dit gesteente langs de Duitse en Deense Oostzeekusten.

Het is een opvallend contrastrijk gesteente. In naam een granaat-amfiboliet, maar eigenlijk is het een migmatiet. Dit laatste door de aanwezigheid van witte slierten en partijen van plagioklaas en kwarts. Opzij daarvan zien we een zwart-wit gespikkeld gesteente, dat vooral in opvallend zonlicht schittert. Het schitteren wordt veroorzaakt door talloze hardglanzende splijtvlakjes van zwarte hoornblende. De witte spikkeltjes zijn van plagioklaas. Karakteristiek is verder de aanwezigheid van rode granaat. De kristallen vormen rondachtige pitten van ca. 1 tot 3 cm. Door het frisse karakter van de zwerfstenen en de opvallend rode granaatpitten worden deze strandstenen veel gezocht.

Witsliertige granaat-amfiboliet is een gidsgesteente uit Zuidwest-Zweden. Het gesteente is tijdens de Zweeds-Noorse gebergtevorming, ca. 1000 miljoen jaar geleden, uit basalt- en gabbro's ontstaan. Samen met andere hogedrukgesteenten als mafische granuliet en eclogiet werden deze gesteenten op een diepte van ongeveer 20 kilometer gevormd, toen door plaattektonische processen sprake was van het op elkaar botsen van twee continentale landmassa's. Bij de metamorfose van deze granaatamfiboliet speelde hoge temperatuur een iets minder belangrijke rol dan bij de vorming van eclogiet en mafische granuliet. De aanwezigheid van water (gasvormig) was belangrijk voor het ontstaan van hoornblende.

Granaat-migmatiet

Blauwkwarts

De zwerfsteen op de foto is wellicht één van de mooiste vondsten van de laatste jaren. Niet alleen het uiterlijk is bijzonder, ook de grootte van de steen is indrukwekkend. Ter vergelijking dient een zwarte portemonee, onderaan de kei. De steen is gevonden in landelijk gebied bij Kollum in Friesland. Gezien de bijzonderheid kreeg de zwerfkei een plaatsje in het IJstijdenmuseum in Buitenpost (Fr.).

Granaathoudende migmatieten zijn ultra-metamorfe gesteenten. Ze worden door zwerfsteenliefhebbers ook wel 'biotiet-granaat-glimmer-gneis' genoemd. Zeldzaam zijn ze niet, alleen de structuur wisselt sterk en is het gehalte aan granaten erg variabel. Bijzonder aan deze steen zijn de grootte en de talrijkheid van de granaatkristallen. Sommige zijn zo'n 6 tot 7 cm in doorsnede. De rode granaatkristallen zijn tijdens metamorfose uit de bouwstenen van andere mineralen ontstaan. Vaak gebeurt dit in vaste toestand, soms ook niet.

Door verwering zijn de verschillende elementen in de zwerfsteen goed van elkaar te onderscheiden. Het gesteente is een migmatiet, waarbij sprake is van een combinatie van een ouder metamorf en glimmerrijk gneisgedeelte en een opvallend lichtkleurig, veldspaatrijk granietisch/pegmatietisch nieuw gedeelte. Bij migmatieten spreken we respectievelijk van een donkerder getinte paleosoom (het gneis-onderdeel) en een nieuw gevormd, lichter gekleurde neosoom. Deze laatste heeft een samenstelling en het uiterlijk van een stollingsgesteente.

Het is moeilijk voor te stellen dat dit gesteente door toenemende druk en temperatuur (progressieve metamorfose) op grote diepte in de aardkorst uit een oorspronkelijk kleiïg/zandig sedimentair gesteente is ontstaan.

Kwarts kan allerlei kleuren bezitten. Als we kristallijne zwerfstenen bekijken, dan is dit niet moeilijk vast te stellen. Vooral in graniet varieert de kleur van kwarts. De meeste kwarts is lichtgrijs, maar glasachtig helder, geel, rood, rookkleurig, zowel licht als donker komt ook regelmatig voor. 

Heel bijzonder is blauwe kwarts. In allerlei rapakivigranieten komt blauwkwarts voor. Vooral de porfierische biotietrapakivi's uit het Kökargebied, ten zuidoosten van de Aland-eilanden, bezitten tot 1,5 cm grote rondachtige eersteling-kristallen van blauwkwarts. Vaak is in de kristallen sprake van zonering, waarbij smalle zones van rookkleurige kwarts afwisselen met (intens) blauwe kwarts.

Onder de binoculair is te zien dat de blauwe zones bijzonder rijk zijn aan zeer kleine naaldjes van rutiel (is een titanium-mineraal). Ze zijn vaak ook nog parallel geörienteerd. Invallend licht wordt geadsorbeerd, maar het blauwe licht van het lichtspectrum wordt door de smalle naaldjes van rutiel verstrooid. Blauwe kwarts komt veel voor in gesteenten in Scandinavië. Elders in Europa komt deze kleur weinig in graniet voor.

De zwerfsteen van b lauwkwarts op de foto is een zwerfsteen van magmatische kwarts. Vermoedelijk is de kwartssteen afkomstig uit een pegmatiet. Kaliveldspaat en plagioklaas zijn nagenoeg afwezig. Opvallend is de grofkorreligheid van de kwarts. De licht paarsblauwe kleur doet amethist-achtig aan. Of hier ook sprake is van lichtverstrooing door rutielnaaldjes, is niet vast te stellen. Bekend is dat de blauwe kleur van kwarts ook veroorzaakt kan worden door roosterfouten in de kristallen en door deformatie.

Pegmatiet-ader in rapakivi-graniet

Schriftgraniet

Zwerfstenen van rapakivi-graniet zijn net huismussen, zoveel komen ze voor, althans binnen het Hondsrug-complex in Oost-Drenthe. Op de zand- en keileemruggen daar komen veel zwerfstenen voor met een Oost-Baltische herkomst. Dit laatste betekent dat de overgrote meerderheid van de keien aflkomstig is uit Noord-Zweden, Botnische Golf, Zuidwest-Finland en de noordoostelijke Oostzee. De meeste rapakivi-zwerfstenen die wij hier vinden zijn afkomstig van de Aland-eilanden, het zeegebied tussen Finland en Zweden.

Waar je veel zwerfsteen-rapakivi's vindt, is de kans op bijzonderheden groot. Zoals rapakivi-pegmatiet of rapakivi-graniet met pegmatiet-aders. Dit klinkt misschien wat vreemd in de oren, immers zwerfstenen van pegmatiet zijn helemaal niet zeldzaam. Hoewel pegmatiet als zwerfsteen niet zeldzaam is, komen pegmatietverschijnselen in rapakivigranieten vrijwel niet voor. Wat wil het geval?

Rapakivi's zijn een familie van graniet-achtige gesteenten, rijk aan ijzer, vandaar dat de meeste rood zijn. Hun ontstaan is  anders dan de meeste granieten. Door opsmelting van de bovenste aardmantel, zijn door de hoge temperatuur gesteenten van de onderste aardkorst gaan smelten. Het magma dat hieruit ontstond, bevatte zeer weinig water en vluchtige bestanddelen. Bij graniet-gesteenten, die bij subductieprocessen gevormd worden, bevat het magma veel meer water, soms tot wel 8% volumeprocent.

Het rapakivimagma is, in samenhang met basisch gesteente, dat zijn oorsprong in de bovenste aardmantel vond, langzaam in de aardkorst opgestegen tot ongeveer een kilometer of 5 onder het aardoppervlak. Daar is het tot vast gesteente gekristalliseerd. Het ontbreken van vluchtige bestanddelen is oorzaak dat vrijwel geen restmagma overbleef. In het laatste stadium van kristallisatie kristalliseert hieruit pegmatiet en schriftgraniet. Dit is de reden waarom je op enkele uitzonderingen na geen rapakivi-pegmatieten vindt en al helemaal geen pegmatieten met toermalijn en granaat. Toch... ze zijn er wel, zij het uiterst zeldzaam.

Dat de afgebeelde Aland-graniet een smalle pegmatietgang bevat met aan weerszijden een zeer smalle overgangszone, is dan ook bijzonder. De ader bestaat voornamelijk uit grijze kwarts. Aan weerszijden bevindt zich een smalle overgangszone van zeer fijne granofier. Dit is een zeer innige vergroeiing van kaliveldspaat en kleine worm-achtige kwartsfiguurtjes. 

Schriftgraniet is bij de meeste amateurgeologen wel bekend. Onder noordelijke zwerfstenen kom je het karakteristieke gesteente regelmatig tegen, in het Hondsruggebied in Drenthe meer dan daarbuiten.

De naam is treffend gekozen. In het lichtkleurig gele, rose, oranje, grijsrode of lichtrode gesteente vormt kwarts lange smalle lijsten, die parallel lopen aan de kristalvlakken van kaliveldspaat. Beide mineralen zijn bij stolling  kristallisatie) gelijktijdig gevormd. Er ontstond zo een innige vergroeiing, waarbij de parallelle kwartslijsten op dwarsdoorsnede figuurtjes vormen die aan Hebreeuwse en/of Arabische schrifttekens doen denken. Ook typen met wigvormige schrifttekens, die op spijkerschrift lijken, zijn niet zeldzaam.

Onlangs is bij Odoorn een kleine zwerfsteen gevonden, die grotendeels uit dicht opeenliggende, smalle kwartslijsten bestaat met daarin opgenomen talrijke kleine zilverwitte schubjes muscoviet. Verder zijn kleine donkere spikkeltjes van toermalijn aanwezig. Het bijzondere is dat de kwartslijsten op een tweetal plaatsen na niet met kaliveldspaat zijn vergroeid. Ze vormen veervormige kwarts-aggregaten.

Op een tweetal plaatsen in de steen is sprake van een normale vergroeiing van geelwitte kaliveldspaat en kwarts. Op dwarsdoorsnede tekenen de lichtgrijze kwartsfiguurtjes zich duidelijk tegen de witte veldspaatmatrix af. De enigszins waaiervormige rangschikking van de smalle grijze kwartslijsten is in één van de veldspaat/kwarts partijtjes goed zichtbaar.

Voor zover bekend is een zwerfsteen van schriftgraniet met een dergelijke samenstelling en structuur niet eerder gerapporteerd. Ook in de literatuur is niets vergelijkbaars gevonden. Dit maakt onze zwerfsteenliefhebberij daarom zo interssant en spannend.

 

Orthoceras in rode ordovicische kalksteen

Geplooide migmatiet-gneis

Gewoonlijk worden in deze rubriek kristallijne gesteenten afgebeeld en besproken. Sedimentaire zwerfstenen komen niet of nauwelijks aan bod. Toch is aan en in sedimentaire zwerfstenen echter van alles te zien, zoals deze foto laat zien.

Opvallend in de kalksteen is een grijswit gekamerd, langwerpig fossiel met aan één uiteinde een open deel, dat gevuld is met roodbruine kalksteen. De kalkzwerfsteen zelf is ook roodbruin en zit vol fossiele resten. Aan de hand van deze fossielen is ook duidelijk om welke kalksteensoort het gaat: Bovenste Rode Orthocerenkalk. Deze kalksteen is van Ordovicische ouderdom, maar is jonger dan gelijkkleurige kalkstenen, die op Oland en aan de Kinnekulle in Zweden voorkomen.

Het merendeel van de  grijze lijnfiguren in de kalk zijn doorsneden van gastropoden, zeg maar zeeslakken. Verder zitten er nog brachiopoden e.d. in. Bepalend is een langwerpig, nogal opvallend fossiel. Het is de doorsnede van een langwerpig, smal toelopende schelp van een nautilus-achtige. Dit was een groep inktvisachtigen die in het Ordovicium een bloeitijd doormaakten. Ze zijn weliswaar als groep niet uitgestorven, maar met een paar soorten in de oceanische wateren rond de Filippijnen en Indonesië is het wel gedaan.

Bij de groei van het dier werd de schelp breder en langer. Het dier bewoonde uitsluitend het voorste gedeelte van de schelp. Dit is bij het fossiel bewaard gebleven. De laatste woonruimte is zelfs puntgaaf bewaard. Dit is te zien aan de schelpuiteinden en aan de homogeen-kleurige vulling met kalkslib.

Naar mate het dier groeide, zette het naar achteren telkens een kalkschotje af. Hierdoor ontstond een reeks smalle kamers, die gebruikt werden om het verblijf in zee mogelijk te maken. Het dier kon de kamers naar believen met een gas/watermengsel vullen, bij het stijgen of afdalen naar andere waterniveau's. Deze kamers waren verbonden door een smalle buis. Deze is bij dit fossiel niet zichtbaar, wat duidelijk maakt dat we hier met een Endoceras te maken hebben en niet met een Orthoceras. Bij deze laatste loopt de buis (=sypho) precies in het midden van de kegelvormige schelp.

Intrigerend is de vulling van de laatste woonkamer. Deze is gevuld met kalkslib zonder duidelijke fossielen. Normaal zou deze ook gevuld moeten zijn met allerhande schaalresten van andere organismen. Wat de onregelmatig gebogen lichtkleurige sliert van calciet voorstelt, is evenmin duidelijk. Of het iets is dat oorspronkelijk bij het nautilusdier behoord heeft, is niet duidelijk. Zal wel niet.

De steen op de foto is afgelopen zomer op een steenstrand op het eiland Fünen in Denemarken gevonden. Een dorado overigens, zoveel kleine en grote zwerfkeien liggen daar voor het oprapen, en allemaal mooi afgerond, meestal zonder een spoor van verwering.

Het is een fraai geplooide gneis. Gneizen zijn metamorfe gesteenten, met een mineralogische samenstelling die in grote lijnen overeen komt met die van graniet. Ze bevatten veel kaliveldspaat, een wisselende hoeveelheid plagioklaas, doorgaans veel donkere glimmer en ook een percentage kwarts. Net als graniet zijn zwerfstenen van gneis bijzonder variabel. Twee gelijke kom je niet veel tegen.

Veel gneizen zijn op grote diepte in de aardkorst bij hoge druk en een sterk verhoogde temperatuur ontstaan uit andere gesteenten. Dit kunnen magmatische gesteenten zijn, maar vaker betreft het gesteenten van sedimentaire oorsprong. Dit is met deze geplooide gneis ook het geval. Je kunt je moeilijk voorstellen dat dit gesteente ooit een ietwat zandige, kalkhoudende klei was.

Uit de ingrediënten van het gesteente zijn in de hete 'oven', diep in de aardkorst, nieuwe combinaties gevormd, waaruit nieuwe mineralen ontstonden. Uiteindelijk, via allerlei tussenstadia en wellicht op tientallen kilometers diepte, zijn de omstandigheden zo extreem, dat sommmige mineralen gaan smelten. Kwarts en veldspaat doen dit het eerst. Het gesmolten materiaal verzamelt zich in smalle of bredere aders, waar het kristalliseert. Dit zijn de lichtkleurige vegen en strepen in de steen. Door vervormende krachten in de aardkorst reageren gesteenten enigszins ductiel, waardoor er vervorming optreedt. Plooiing in deze gneis is behoorlijk intensief geweest.

Gesteenten als deze geplooide gneis zijn afkomstig uit de wortels van lang geleden verdwenen gebergten in Scandinavië.

Gneis met zwarte hoornblende-porfyroblasten

Biotiet-granaat-glimmer-gneis

Dit is waarschijnlijk een van de mooiste zwerfsteensoorten, die wij uit het noorden op ons landschapsbordje gekregen hebben. Zonder secundaire roestvorming is het een spierwitte steen met gitzwarte naaldvormige aggregaten van hoornblende. De zwarte kristallen kunnen een lengte van een paar centimeter bereiken. De witte matrix doet borstplaatachtig aan, en heeft wel iets weg van heel fijn gekorreld carrara-marmer. Met marmer of kalk heeft het echter niets te maken.

Het is een gneis met in vaste toestand gevormde zwarte kristallen van hoornblende. Dergelijk groot gegroeide kristallen in metamorfe gesteenten noemt men porfyroblasten. Vergelijkbare gesteenten komen in de Alpen voor bij Airollo in Zwitserland en in Oostenrijk in het Oetz- en Zillertal, hoewel daar vaak sprake is van grotere aggregaten, met veel muscoviet en rode granaat. Muscoviet en granaat ontbreken in dit Zuidnoorse gesteente.

Deze hoornblendegneis is met enig voorbehoud als een gidsgesteente op te vatten. Als vaste rots komt het gesteente voor pal ten westen van het Oslo-gebied, in Telemarken bij Skien in Zuid-Noorwegen. Dit maakt dat zwerfstenen ervan in Nederland uitermate zeldzaam zijn. Zwerfsteentypen uit dit deel van Scandinavië zijn in Noord-Nederland sowieso erg zeldzaam.

In sommige boeken en op zwerfstenensites wordt dit gesteente 'hoornblende-schist' genoemd. Dit is niet juist. Het is echt een kwarts- en veldspaatrijke gneis. Glimmer komt er niet in voor.

Het gesteente is door metamorfose uit zandig, kleiïge afzettingen ontstaan. Dit laatste onder hoge druk en bij een verhoogde temperatuur tijdens de Zweeds-Noorse orogenese (gebergtevorming) van ongeveer 900-1100 miljoen jaar geleden.

Onder deze naam staat deze zwerfsteensoort in wat oudere stenenboeken vermeld. Het is een metamorf gesteente, van de zijkant gezien met een duidelijke streperige structuur. Een gneis dus, maar wel een, die je niet op het eerste gezicht als zodanig herkent. Daarvoor is het gesteente te grof en ook te onregelmatig van structuur. De zwerfsteen is bovendien van het formaat 'te zwaar om te tillen'.

De hoofdmassa van de granaat-gneis is door verwering grijs gebleekt. Van dichtbij zie je een menigte heel kleine zwarte biotietschubjes. De biotietblaadjes liggen ingebed in een grijswitte massa van eveneens zeer kleine plagioklaas kristalletjes. Deze matrix is echter niet gelijkmatig ontwikkeld. In de steen lopen onregelmatige banden, vegen, vlekken en strepen, die lichter van tint zijn. Deze blijken voornamelijk uit kaliveldspaat en plagioklaas te bestaan. Kwarts is zo op het oog weinig aanwezig.

Van de zijkant gezien lopen een aantal smalle witte gangen onregelmatig door het gesteente. Dit duidt op plooiing. Deze smalle lijnen bestaan waarschijnlijk uit veldspaat, mogelijk vergezeld van kwarts. Wat vooral opvalt aan deze grote zwerfkei, zijn de grote aantallen vlekken en pitten van roodachtige granaat. Het mineraal vormt geen mooie, idiomorfe kristallen. De rode vlekken zijn verschillend groot en onregelmatig van vorm. Het zijn aggregaten van granaat, doorspekt met heel kleine kwarts en veldspaatkristalletjes.

Hoewel hierboven gneis genoemd, is de zwerfsteen in feite een migmatiet, een ultra-metamorf gesteente dus, dat op grote diepte in de aardkorst bij hoge temperatuur en druk door progressieve metamorfose uit een kleiïg sediment is ontstaan.

De herkomst van deze granaat-gneis is moeilijk aan te geven. Dergelijke migmatieten komen op verschillende plaatsen in Scandinavië voor. De vindplaats sluit een Oost-Baltische herkomst nagenoeg uit. Nader onderzoek moet duidelijk maken of kwarts ontbreekt en, of er zichtbare kristallen van het mineraal cordiriet aanwezig zijn. In dit geval zouden we met een Sormland-gneis te maken kunnen hebben, afkomstig uit de omgeving van het Zweedse Stockholm.

Zwarte vuursteen uit de keileem van Groningen

Botnische gneis-graniet

Over de herkomst van vuursteen bestaat weinig discussie. Noordelijke vuursteen is afkomstig uit de Zuidelijke Oostzee, Zuid-Zweden, Noord-Duitsland en Denemarken. In de ijstijd is in deze gebieden door het gletsjerijs een enorme opruiming gehouden in witte krijt-afzettingen uit het Laat-Krijt en het Vroeg-Tertiair. 

Bekend is dat vuursteen boven elkaar liggende niveau's in krijtkalk vormt. Vuursteen is weliswaar een gesteente, maar het vormt geen rotsen of bergen. Het komt voor in de vorm van pijpen, knollen en platen. Het is hard, glasachtig ook, maar bros. Vuursteen breekt en versplintert gemakkelijk in vlijmscherpe stukken en scherven.

Afhankelijk van de ijsaanvoer in de ijstijd verschilt het gezelschap vuursteen. Typische caverneuze vuursteen, grillig van uiterlijk en vol met holten en gaten, komt vooral uit Noord-Denemarken. Je vindt het veel in Werpeloh in Duitsland, in combinatie met Noorse syenieten en rhombenporfieren uit Zuid-Noorwegen.  Wit gespikkelde vuursteen - Hanaskog-flint genoemd - komt uit de buurt van Kristianstad in Zuid-Zweden. Fraai rode vuursteen is bekend van Helgoland.

Op de Hondsrug vind je ook vuursteen, soms veel, maar soms helemaal niet. Dit ligt aan het keileemtype dat aan het oppervlak ligt of waarin wordt gegraven. Op de Hondsrug komen twee keileemtypen voor, die elkaar bedekken. In de bovenliggende zeer stenenrijke rode keileem ontbreekt vuursteen volkomen. In de grijze keileem daaronder is juist veel vuursteen aanwezig. In de onverweerde grijze keileem in Haren en Groningen, is de meeste vuursteen zwart, zwartgrijs en grijs of beige van kleur. De zwarte vuursteen bezit heel vaak een witte buitenkant (cortex).

Bijzonder is dat bryozoënvuursteen in verhouding weinig voorkomt en fossiele zeeëgels ook. Sterker nog het is al sinds jaar en dag bekend dat in de vuursteen uit de grijze keileem bijzonder weinig fossielen voorkomen. Het vuursteentype wijkt daarmee af van veel andere vuursteentypen op andere locaties. Zuidelijker op de Hondsrug komt weinig zwarte vuursteen voor. Dit is te wijten aan verwering, waarbij vuursteen door infiltratie van ijzeroxide vaak geelachtig tot bruin van kleur is.

Onlangs kreeg ik foto's onder ogen van laden vol belemnieten en andere fossielen, waaronder verkiezelde sponzen. Deze waren gevonden in een riviertje en in een zandgroeve in en bij Kaunas in Litouwen. Of er wellicht ook vuursteen voorkwam?Jazeker! Veel zelfs. Blijkt de nationale steensoort van Litouwen te zijn! Vuursteen in Litouwen..... Tot dusver onbekend in de wereld van zwerfsteenverzamelaars.

Nieuwe foto's van vuursteenvondsten uit Litouwen laten zien dat de gevonden vuursteen nagenoeg overeenkomt met die uit de grijze keileem op de noordelijke Hondsrug. Vooral zwarte stukken met witte cortex komen veel voor en.....geen bryozoën en opvallend weinig andere fossielen.

De samenstelling van zwerfstenen in de grijze keileem op de Hondsrug is Oost-Baltisch. De meerderheid van de zwerfstenen, inclusief de paleozoïsche kalkstenen, komt uit de noordelijke en noordoostelijke Oostzee. De kalkstenen in de grijze keileem stammen in tegenstelling tot die uit de bovenliggende rode keileem, uit meer westelijker gelegen afzettingen op de Oostzeebodem.

De baan die het landijs in de voorlaatste ijstijd door de oostelijke Oostzee heeft gevolgd, en die in het Hondsruggebied de grijze grondmorene heeft afgezet, blijkt ook krijtafzettingen voor de kust van Litouwen te hebben aangetast en geërodeerd.

De conclusie is, dat de grijze onverweerde grondmorene (Noordhorn-keileem) op de noordelijke Hondsrug, naast vuurstenen uit de zuidelijke Oostzee, ook talloze (zwarte) vuurstenen bevat, die een veel noordoostelijker herkomst hebben, nl. de Oostzeebodem voor de kust van Litouwen. Dit is nieuw. Zo levert het doodgewone vuursteen toch nog nieuwe inzichten op. Verandert er hier nu veel door? Nee, het blijft gewoon vuursteen.

Waar je veel zwerfstenen van rapakivigraniet vindt, is het bijna onmogelijk om deze rode graniet te missen. De naam suggereert al dat ie uit de Botnische Golf komt. Klopt ook, maar waar precies is onbekend. Het gesteentevoorkomen ligt ergens in die wijde waterwereld onzichtbaar op de bodem van de Botnische Golf. Dat deze graniet niet ook elders op een andere plek voorkomt, is niet bekend, maar is niet aannemelijk.

In oudere stenenboeken lees je de naam 'Botnische apliet-gneis-graniet'. Het toevoegsel 'apliet' laat men tegenwoordig weg, want het gesteente is in de verste verte geen apliet. De toevoeging wilde eigenlijk uitdrukken dat deze graniet vrijwel geen plagioklaas en donkere mineralen bevat, dus bijna helemaal uit rode kaliveldspaat en kwarts bestaat. Dat is een kenmerk van veel aplieten. Verder gaat de vergelijking niet.

Hoewel graniet, is het in feite sterk gedeformeerd. Dit zie je aan de witte klodders kwarts. Onder de loep is goed te zien dat de kwartskristallen vergruisd zijn en een structuur hebben als van suiker. Vandaar de uitdrukking 'suikerkorrelige kwarts'.

Vergruisde kwarts komt veel vaker in granieten voor. Het is hoogstwaarschijnlijk het gevolg van statische druk, op grote diepte in de aardkorst. De aangenaam rode kaliveldspaat lijkt zo op het oog onaangedaan. Onder de loep blijkt echter dat de veldspaatkristallen ook kapotgedrukt zijn. Ze zitten barstensvol scheurtjes.

Als gidsgesteente noem je deze steen dus Botnische gneis-graniet, want bij sommige zwerfsteentypen is sprake van een geringe gneisstructuur. Als je afgaat op de minerale bestanddelen, dan is het een alkaliveldspaat-graniet; dit door het ontbreken van plagioklaas en donker mineraal. Als deze laatste aanwezig is, dan is het biotiet dat onregelmatige zwarte aggregaten in het gesteente vormt. Botnische gneis-graniet is in het Hondsruggebied in Oost-Drenthe niet zeldzaam.

 

Melafier-amandelsteen ofwel amydaloïdale paleobasalt

Conglomeratische arkose

Basalt is van alle tijden. We kennen het gesteente vooral van onze zeeweringen. Vorm en structuur van het gesteente waren uitermate geschikt om dijken en kademuren mee te versterken. Deze basalt komt uit Duitsland, het meeste uit groeven in het Westerwald, waar men losgewrikte meterslange basaltzuilen in stukken breekt. De basaltstenen van onze dijken en kaden zijn van Tertiaire ouderdom.

Ouder zijn basaltkeien die in het noorden van ons land als zwerfsteen te vinden zijn. Deze komen uit Zuid-Zweden, toen daar in de Jura-periode en in het Krijt talrijke basaltvulkanen actief waren.

In grindafzettingen van de Rijn komen nog oudere basalten voor. Deze zijn afkomstig uit het Nahe-gebied, in Duitsland. Deze Permische basalten noemt men 'melafier', en als er opgevulde gasblaasjes in voorkomen, spreken we van 'melafier-amandelsteen'. Beide namen zijn weliswaar verouderd, maar zwerfsteenliefhebbers hanteren ze nog steeds. Als deze oude basaltstenen niet langer melafier of melafier-amandelstenen mogen heten, hoe dan wel?

De holletjes in deze Permische basalten waren oorspronkelijk met gas gevuld. In de loop van de tijd zijn ze opgevuld met zeoliet, calciet, kwarts, chacedoon enz. Door hun hoge ouderdom zijn sommige mineralen in Nahebasalten door circulerend poriewater omgezet en van samenstelling veranderd. Vandaar dat de kleur van het gesteente niet langer zwart is, maar vaker bruinrood of groenzwart.

Dergelijke omgezette basalttypen noemt men vanwege hun ouderdom paleobasalt. Bevatten ze bovendien al of niet opgevulde gasbelletjes, dan komt daar het woord 'amygdaloïdaal' bij. Een melafier-amandelsteen heet dan amygdaloïdale paleobasalt. Amydaloïdaal betekent amandelvormig.

De steen op de foto is zo'n amygdaloïdale paleobasalt. De oorspronkelijke gasbelletjes zijn in de steen slechts voor een deel opgevuld. Op de wandjes ervan is zwartgroene chloriet afgezet. De kleur van het gesteente is niet basalt-achtig zwart, maar eerder ietwat groenachtig, met plaatselijk roodachtige verkleuringen. Dit laatste wordt veroorzaakt door hematiet, een roodkleurend ijzeroxide.

Noordelijke paleobasalten zijn afkomstig uit Zweden, van de Oostzeebodem of uit Zuidwest-Finland. Het zijn geen gidsgesteenten, omdat de kenmerken niet specifiek zijn. Vergelijkbare typen komen op verschillende plaatsen in Scandinavië voor. Wel zijn ze oud, zeer oud zelfs. Ze dateren zonder uitzondering uit het Precambrium. Hoogstwaarschijnlijk ligt de ouderdom tussen 1.500 en 2.000 miljoen jaar.

Verzamelaars van noordelijke zwerfstenen zullen bij het zien van de foto in eerste instantie aan een kleurige graniet denken, met veel grijze kwarts. Dit laatste had ik ook, toen ik een vergelijkbaar gesteente onder ogen kreeg uit Arkansas in de USA. Dat was een ruw brokstuk. Ogenschijnlijk een gewone rood-oranje graniet, maar onder de loep bleek het een arkose te zijn, ofwel een veldspaathoudende zandsteen met zand- en veldspaatkorrels, die groter waren dan 2 mm, dus conglomeraat.

Arkoses heb je in allerlei korrelgroottes, van fijne zandsteen tot conglomeraat. Vaak zijn ze gekleurd zoals op de foto. Vind je ze op akkers of in keizand, dan kleuren deze zwerfstenen anders. Verwering doet rode veldspaat verbleken. Want precies dat is het rode materiaal: brokjes rode kaliveldspaat, samen met kwarts, in meerdere of mindere mate afgerond.

Arkose is als zwerfsteen niet zeldzaam. De meeste - vooral deze roodachtige typen - komen uit het verre noorden, uit de Botnische Golf. Ze zijn van Precambrische ('Jotnische') ouderdom.

Arkoses ontstaan uit verwerend graniet, vaak in een droog klimaat. Onder vochtige omstandigheden met vegetatie 'lossen' veldspaten op. Wat ook duidelijk is, is dat de bron, het granietgebergte, op korte afstand moet hebben gelegen. Anders zouden de kwetsbare veldspaatbrokjes allang, en zeker in rivieren, het loodje hebben gelegd. Veldspaat splijt heel makkelijk langs kristalvlakjes. 

Kwartskorrels en ook die van veldspaat zijn meer of minder sterk afgerond. Water moet bij het transport zeker een rol hebben gespeeld. Misschien dat het woord rivier vervangen moet worden door 'wadi'. Wadi's zijn meestentijds droogliggende beek- en rivierbeddingen in woestijnen. Alleen tijdens kortstondige, hevige regenbuien vervoeren ze veel water en transporteren ze ook veel sediment.

Veel van onze noordelijke Jotnische zandstenen zijn roodachtig, doordat de afzonderlijke zandkorreltjes omgeven zijn door een heel dun filmpje hematiet (ijzeroxide). Dit gebeurt vooral in woestijnklimaten. Dit zal ook het ontstaansmilieu van deze arkose zijn geweest.

Een windkanter in het groot

Lavendelblauwe verkiezeling

Windkanters spreken tot de verbeelding, niet uitsluitend door hun vorm en vaak glimmend oppervlak, het zijn vooral stille getuigen van een klimaat, waar wij ons geen voorstelling van kunnen maken.

Windkanters komen op verschillende plaatsen in Nederland voor; vaak in grote concentraties. Sinds jaar en dag zijn windkanters bekend van het Gooi, de Noordelijke Veluwe en nog zo wat plaatsen. Meestal betreft het hier zandstenen en kwartsieten. Logisch ook, omdat de zwerfstenen op deze plaatsen veelal door rivieren als Rijn en Maas zijn aangevoerd. Door hun dichtheid en homogene structuur komen onder deze zandstenen en kwartsieten bijzonder fraaie windkantervormen voor. 

Hoe zijn windkanters ontstaan?

Hiervoor moeten we terug in de geschiedenis, naar de periode van 29.000 - 18.000 jaar geleden. De Weichsel-ijstijd verkeerde toen in zijn koudste fase, het Pleniglaciaal. Een groot deel van het jaar lag de temperatuur onder nul. Plantengroei was vrijwel onmogelijk. Het landschap lag open en bloot aan weer en wind. Wind zal er ongetwijfeld veel geweest zijn, vaak in combinatie met sneeuw. In die tijd is bijzonder veel fijn zand en stof weggeblazen. Alleen de zware bestanddelen bleven liggen, waaronder stenen. Veelal waren deze vastgevroren aan de bodem. Zand en stof hebben de stenen als het ware gezandstraald en tegelijk afgesleten. Hierbij ontstonden, afhankelijk van de basisvorm van de stenen, platte vlakken. Veel stenen zijn langer dan breed. De windkanters die hieruit ontstonden hebben vaak een spoelvorm met twee platte vlakken, die elkaar als twee dakkanten onder een hoek raken.

Op het Schaddeveld bij Dieren vond Hans van Essen tijdens een wandeling een bijzonder grote windkanter van basalt. Windkanters had hij er al eerder gevonden, maar deze van 38 bij 40cm was er een van de buitencategorie en ook nog eens van basalt. De steen zal oorspronkelijk een deel van een basaltzuil geweest zijn, zoals deze wel meer op de Zuidelijke Veluwe gevonden worden. De stenen zijn door de Rijn uit Duitsland aangevoerd, waarschijnlijk uit het Westerwald. Het transport van zo'n zware steen vond ongetwijfeld plaats - wellicht in het voorjaar - vastgevroren in drijvend grondijs.

De windkanter van basalt heeft een prachtige piramidale vorm. De vier vlakken van de steen zijn glanzend gezandstraald. Windlak noemen we dit. De kei is van een fijnkorrelig type basalt. Ik laat hier Hans nog even aan het woord, want het pad van een stenenzoeker gaat niet altijd over rozen:

"Na afloop van de wandeling ben ik teruggegaan met een rolkoffertje en heb uiteindelijk kans gezien dit toch wel loodzware stuk bij Els (zijn vriendin) achter het huis te deponeren. Het was ‘groots en (letterlijk) meeslepend’ verzamelen. Wel een museumstuk volgens mij. Het rolkoffertje kon na afloop in de container, omdat één van de wielen er onderweg finaal afgeschraapt werd, zodat ik eerst naar Els moest lopen om haar kruiwagen op te halen".

De afgelopen tijd zijn aan deze site een 7-tal hoofdstukken toegevoegd. Ze gaan over verkiezelde grindfossielen. De Eridanos, Europa's grootste rivier ooit, heeft in Oost- en Noord-Nederland, maar ook in Duitsland omvangrijke pakketten grof grindhoudend wit kwartszand afgezet. In het Vroeg-Pleistocene grind komen verkiezelde Ordovicische fossielen voor, afkomstig uit een onbekend gebied ten noordoosten van Estland. De grijze, blauwgrijze tot violetzwarte fossielen worden door verzamelaars al tientallen jaren gezocht. Ze staan bekend als lavendelblauwe verkiezelingen. Vooral de verkiezelde sponzen spreken door hun bijzondere vormen erg aan. Daarnaast komen tal van andere fossielen voor, waaronder brachiopoden, koralen en bryozoen. Daar gaan deze hoofdstukken over. De teksten gaan vergezeld van honderden foto's.

 

https://www.stenenzoeken.nl/…/zwerfsteenfoss…/verkiezelingen

https://www.stenenzoeken.nl/fossielen-in beeld/zwerfsteenfossielen/verkiezelingen/ lavendelblauwe-verkiezelingen

https://www.stenenzoeken.nl/…/z…/verkiezelingen/favosieten-1

https://www.stenenzoeken.nl/…/overige-verkiezelde-tabulate-…

https://www.stenenzoeken.nl/…/verkiezeli…/chaetetes-achtigen

https://www.stenenzoeken.nl/…/…/verkiezelingen/heliolieten-1

 

https://www.stenenzoeken.nl/…/verkiezelde-trepostomate-bryo…

Porfierische Laitila rapakivi-graniet

Finse graniet-porfier

Als er een zwerfsteensoort is die zwerfsteenliefhebbers snel op hun netvlies krijgen, dan is het wel rapakivi-graniet. Je komt deze zwerfstenen vooral tegen in het Hondsruggebied in Drenthe en Groningen.

Rapakivi's vormen een familie van meest graniet-achtige zwerfstenen. Er schuilen inderdaad veel granieten onder, maar ook granietporfieren, kwartsporfieren, aplieten, pegmatieten, ignimbrieten enz.

De meeste rapakivi's zijn roodachtig, maar lang niet allemaal. Er zijn er bij die zelfs bijna wit zijn of grijs. Daarnaast heb je ook groenzwarte. Kortom, om 'horendol' van te worden. Het duurt dan ook een tijdje, voordat je kijk krijgt op zwerfsteenrapakivi's.

Bepaald zeldzaam zijn witte of grijswitte rapakivi's. Deze zijn veelal afkomstig uit een ander rapakivigebied. Voorkomens van rapakivi's in Scandinavië vormen namelijk een soort grote 'eilanden' te midden van oudere gesteenten. Een rapakivigebied waar een aantal fraai getekende, witte en grijze rapakivi's voorkomen, is het Nystad-massief in Zuidwest-Finland. Dit ligt op een kleine 100 km noordoostelijk van Aland op het Finse vasteland. Vooral uit het noordelijke deelmassief van Laitila zijn ze bekend. Dit is ook de oorsprong van de steen op de foto.

Het is een fraaie porfiergraniet met daarin, zeer opvallend, grote eersteling-kristallen van licht oranje kaliveldspaat. Bijzonder en tegelijk kenmerkend zijn de talloze olijfgroene plagioklaas-kristallen. De groene kleur is te danken aan de omzetting van plagioklaas, waarbij groene epidoot ontstaat. In Laitila-rapakivi's komen groene of blauwgroene plagioklazen veel voor.

Opvallend is verder dat de talrijke kwarts-eerstelingen zeer donker zijn, bijna zwarts zelfs. Ook dat is iets dat rapapkivi's vaker hebben. Sommige van de grootste kwartsen hebben een meer grijsblauwe tint. Verder vormen donkere mineralen als biotiet en hoornblende talloze onregelmatige aggregaten in het gesteente. De grote kaliveldspaten en groene plagioklazen maken dat je van een porfierische rapakivigraniet kan spreken.

Het Hondsruggebied in Drenthe en Groningen staat bekend om zwerfsteen-rapakivi's, die bij graafwerkzaamheden uit de bodem te voorschijn komen. De steen op de foto is er zo een. Zwerfsteenliefhebbers zullen de kei onmiddellijk herkennen als een Finse-granietporfier, maar enige twijfel is op zijn plaats. Is het wel een granietporfier?

Porfieren zijn meest lichtkleurige zwerfstenen met een dichte of fijnkorrelige grondmassa, waarin een wisselend aantal eersteling-kristallen van mineralen als kaliveldspaat, kwarts, plagioklaas lijken te zweven. Toen het gesteente in de aardkorst nog grotendeels in vloeibare toestand verkeerde, hadden zich in het magma al kristallen gevormd. Deze zweefden letterlijk in de gloeiend hete massa. Omdat de kristallen nog alle ruimte hadden, bezitten eerstelingen vaak een eigen kristalvorm.

Wellicht door vulkanische activiteit is een deel van het magma in spleten en scheuren geperst. Het gevolg hiervan is een veel snellere afkoeling, waardoor zich in relatief korte tijd bijzonder veel kristalkiemen vormen. Deze groeien uit tot echte kristallen, maar het zijn er zoveel, en het kristallisatieproces verloopt zo snel, dat zich geen grote kristallen kunnen vormen. Bovendien komen ze in het gedrang. Het magma kristalliseert uit tot een fijnkorrelig granietisch mengsel van allemaal kleine kristalletjes, een soort micro-graniet.

Zwerfstenen zijn per definitie losse objecten. Geen idee dus hoe en waar de stenen precies van afkomstig zijn. De context is weg. Vandaar dat bij het herkennen van zwerfstenen andere criteria gelden. Graniet-porfier noemt men zo als de grondmassa granietisch van samenstelling is, en dat de afzonderlijke kristallen nog net met het blote oog te herkennen zijn. In heel veel Finse graniet-porfieren is de grondmassa minder fijnkorrelig. Heb je dan nog steeds met een granietporfier te maken? Het blijft een kwestie van inschatting, maar wordt de korreling grover, dan spreek je  van een porfierische graniet. Precies dit is hier het geval. De mineralen in de grondmassa zijn met het blote oog makkelijk te herkennen, dus hebben we met een Finse porfier-graniet te maken. Toch zegt het gevoel van een zwerfsteenverzamelaar dat op de foto een Finse graniet-porfier afgebeeld is, eentje met grote roze eersteling-kristallen van kaliveldspaat, grote kwartsen en vlekken van vuilbruin verweerde plagioklaas. Finse-granietporfier of Finse-porfiergraniet. Het mag beide.

Herkomst: Noordoostelijke Oostzee, uit het kleine rapakivigebied van Kökar in Finland.

Oeraliet-porfieriet

Geplooide en tektonisch gebroken myloniet-gneis

Oeraliet-porfieriet klinkt bij veel stenenliefhebbers bekend in de oren. Niet alleen omdat deze zwerfsteensoort niet erg zeldzaam is, ook en vooral omdat er typen onder schuilen die het zelfs tot gidsgesteente hebben geschopt. Die status verdienen ze echter niet.

Minder bekend is dat de naam oeraliet-porfieriet niet bij het gesteente op de foto past. Porfieriet is een vulkanisch gesteente, een stollingsgesteente dus, met een diorietische samenstelling. De samenstelling van de steen op de foto is basaltisch. 

De naam porfieriet is gekoppeld aan een hogere geologische ouderdom dan het Tertiair, lang geleden door Duitse petrologen geïntroduceerd, en in de zwerfsteenkunde overgenomen en daar blijven hangen. Andesiet is het diorietische equivalent van porfieriet, maar van Tertiaire ouderdom. Andesieten ouder dan het Tertiair noemde men daarom porfieriet. Zo komen wij dus in onze zwerfsteenliefhebberij aan de naam porfieriet.

Waarom klopt een naam als 'oeraliet-porfieriet'  van geen kant? In de eerste plaats maakt men in de petrografie niet langer onderscheidt op basis van ouderdom. De samenstelling van het gesteente en de wijze van ontstaan is bepalend. Porfieriet is gewoon een paleo-andesiet, waarbij het woord ‘paleo’ oud betekent.

Maar nu deze oeraliet-porfieriet van de foto. Het is een oude Precambrische basalt met een porfierische structuur, door de aanwezigheid van eersteling-kristallen van augiet. Maar alles wat het gesteente tot basalt maakte, is veranderd. De donkere mineralen in basalt bestaan vooral uit pyroxeen (=augiet). Door de zeer hoge ouderdom van het gesteente – sommige zijn zo’n 1800 – 2000 miljoen jaar oud – hebben mineralogische omzettingen plaatsgevonden. Door wateropname veranderde augiet in amfibool. De meeste zwerfsteengabbro’s en ook alle oeraliet-porfierieten zijn omgezet. Ze zijn niet langer zwart of zwartgrijs, door de omzetting van augiet in vezelige amfibool (=actinoliet) kleuren zwerfstenen als deze bij verwering zwartgroen, donkergroen tot zelfs grijsgroen. Dit omzettingsproces noemt men oeralitisatie. De naamstoevoeging ‘oeraliet’ bij porfieriet wordt nu duidelijk.

Omzetting is eigenlijk een vorm van metamorfose. Vandaar dat de meeste zwerfsteengabbro’s en hun vulkanieten metamorfe gesteenten zijn. Ook deze oeraliet-porfieriet is metamorf. Wil je dergelijke zwerfstenen een juiste naam geven, dan luiden deze meta-gabbro en meta-basalt. Oeraliet-porfieriet is gewoon een porfierische meta-basalt.

Het bijzondere aan deze zwerfsteen op de foto is dat, de eersteling-kristallen van augiet, omgezet zijn in grijsgroene, vezelige amfibool (=actinoliet). De kristallen zijn in deze zwerfsteen door verwering prachtig uitgeprepareerd. De kristallen hebben hierbij de oorspronkelijke kristalvorm van augiet bewaard. Dit noemt men pseudomorfose. De kristallen lijken qua vorm op augiet, maar zijn het niet.

Hoe zou je deze steen nu moeten noemen, op het gevaar af dat de naam niet op een etiketje past? Porfierische meta-basalt met pseudomorfosen van actinoliet naar augiet. Porfierische meta-basalt is iets korter, maar mag ook.

Op het eerste gezicht doet de steen aan een migmatiet denken. Migmatieten ofwel menggneizen bestaan uit twee soorten gesteente: een metamorf component, meestal een gneis of zoals hier een donkerkleurige amfiboliet en een stollingsgesteente, meestal graniet of pegmatiet.

Het metamorfe component en het deel stollingsgesteente in migmatiet contrasteren vaak in kleur. Dit lijkt hier ook het geval. Echter, wat hier kleurige graniet lijkt, is gneis en de donkere partijen zijn van amfiboliet. Zowel in gneis als in amfiboliet zijn nieuwe mineralen ontstaan. Omdat beide gesteente-onderdelen metamorf zijn, is hier is dus geen sprake van migmatiet. Wat is het dan wel?

De kei op de foto is een mylonietgneis met minerale nieuwvormingen. Het gesteente is door gebergtevormende krachten gedeformeerd, toen het nog deel uit maakte van vaste rots. Hierbij is het in fragmenten gebroken en deels ook geplooid. Dit alles vond plaats in vaste toestand. Het gesteente aan weerszijden van de breuken is vermalen, gemylonitiseerd. Hierbij is donkergroene chloriet en mogelijk ook wat epidoot gevormd. Aangezien de deformatie op grote diepte heeft plaats gevonden, was het gneisgesteente door hoge druk en temperatuur enigszins ductiel. Hierdoor is het vervormd en op enkele plaatsen geplooid.

Door druk en een vrij een hoge temperatuur zijn zowel in de gneis als in het amfibolietachtige, donkere gesteente nieuwe mineralen ontstaan. In dit geval witte plagioklaas en kaliveldspaat. De zelfstandige vlekjes en pitjes in de steen zijn van deze mineralen. Als gevolg hiervan bevat de amfiboliet naast witte plagioklaas ook kaliveldspaat, vooral bovenaan. De nieuwe kristallen zijn gevormd, terwijl het gesteente in vaste toestand verkeerde. Atomen en moleculen verplaatsen zich via microporiën naar talloze groeicentra. Deze mineraalvorming noemt men blastese, de nieuwgevormde kaliveldspaat- en plagioklaaskristallen heten blasten.Tekenen deze zich duidelijk af tegen de de overige mineralen, en zijn ze groter dan die in de omgeving, dan spreekt men van porfyroblasten.

Opvallend is de grillige structuur van het gesteente. Dit is veroorzaakt doordat gesteentedelen bij hoge druk langs breuklijnen ten opzichte van elkaar verplaatst zijn. Vandaar namen als 'geplooide en tektonisch gebroken mylonietgneis' of 'tektonische breccie'. Het is maar wat het belangrijkst gevonden wordt.

 

Windkanter in sparagmiet

Monzo-graniet

Bij de inventarisatie van de stenen in de Markermeerdijk tussen Hoorn en Durgerdam, een paar jaar geleden, kwamen Marja Braaksma en ik even ten zuiden van de Groote Braak bij Warder in het dijktalud een aantal grijsgroene steenblokken tegen. Een aantal leek op conglomeraat, maar de verspreid in het gesteente aanwezige stenen waren hoekig en zeer verschillend van grootte en samenstelling. Een dergelijk soort gesteente ken ik van Moelv aan het Mjosameer, zuidelijk van Lillehammar in Noorwegen. De 'conglomeraat' in de dijk is in werkelijkheid een tilliet. Tilliet is versteend keileem, een afzetting van gletsjer- of landijs. De tilliet van Moelv dateert uit het Laat-Precambrium, uit een tijd dat de aarde met onderbrekingen miljoenen jaren gezucht heeft onder bijkans wereldwijde ijsbedekkingen ('Snowball Earth'), zo'n slordige 700 miljoen jaar geleden.

Even verderop langs de dijk vonden we nog meer blokken van sparagmiet. Ik herkende het gesteente aan de hand van een stuk dat ik heel veel jaren geleden kreeg van een kennis uit Friesland. Sparagmiet is niet zozeer een steensoort alswel een aanduiding voor een geologische formatie bestaande uit een reeks gesteenten, varierend van klei/leisteen, zandsteen, conglomeraat en deze tilliet van Moelv. Geologen in Noorwegen hebben de indruk dat de sparagmiet-formatie in een koud klimaat ontstaan moet zijn. Behalve de vondst van blokken tilliet, vond ik in een ander blok in de dijk daarvoor aanvullend bewijs. Uniek in dit geval.

De steen bestaat uit twee delen, onderaan een grove veldspaathoudende zandsteen, die met een scherpe begrenzing over gaat in conglomeraat. De rolstenen zijn relatief groot, sterk tot weinig afgerond, en bestaan vooral uit kwartsiet, graniet en gneis. De scherpe overgang en het sortiment rolstenen deden mij denken aan een rivierafzetting en meer speciaal aan een smeltwaterafzetting (sandr), zoals we die kennen uit een zandgroeve bij Werpeloh in Duitsland.

Dat deze sparagmietstenen op een afzetting duiden, gevormd in een koud klimaat, en dat de overige blokken sparagmiet in de Markermeerdijk met Precambrische smeltwaterrivieren in verband gebracht kunnen worden, kwam naar voren toen ik kort geleden de foto's nog eens bekeek. In de steen op de foto bevindt zich helemaal rechts bovenaan een witte steen. Het is een kwartsiet. Deze toont aan de bovenzijde een scherpe kam, zoals we dit ook kennen van stenen uit de laatste ijstijd. De vorm van de kwartsiet en het verloop van de kam wijst op een windkanter. Vrijwel identieke ietwat door smeltwater afgeronde windkanters ken ik uit sandr-afzettingen uit de Elster-ijstijd bij Werpeloh.

Het vermoeden van Noorse geologen dat gesteenten uit de Sparagmiet-formatie in een koud klimaat moeten zijn gevormd, wordt door deze windkanter bevestigd. In vegetatieloze arctische woestijnen, zoals die in de laatste ijstijd (Pleniglaciaal) ook in ons land aanwezig waren, zijn op verschillende plaatsen in ons land (Noordelijke Veluwe, Gooi en Westerwolde (Gr.) talloze windkanters ontstaan. Qua vorm  komen deze overeen met de windkanter van ruim 700 miljoen jaar oud in de Markermeerdijk. Deze bijzondere kei verdient het om, samen met de tilliet, in een museum of in een stenentuin te worden ondergebracht. Plannen daartoe zijn in Noord-Holland in de maak. Deze keien mogen daarin niet ontbreken.

Onder noordelijke zwerfstenen komt graniet bijzonder veel voor. Vooral Zweden, Botnische Golf, Finland en noordoostelijke Oostzee zijn de belangrijkste leveranciers geweest. Van sommige granieten is de herkomst bekend, soms griezelig nauwkeurig. 

Om aan gesteenten een naam te koppelen, moet je weten waaruit ze zijn opgebouwd. Met andere woorden, welke mineralen zitten er in. Bij normale graniet is dit in volgorde van belangrijkheid: kwarts, kaliveldspaat, plagioklaas en biotiet. Nu heb je granieten die van deze standaard-indeling afwijken. Ze bevatten van de beide veldspaatsoorten en ook van kwarts soms meer of juist minder dan 'normaal'. In de graniet op de foto herken je heel makkelijk oranje-rode kaliveldspaat, blauwgrijze kwarts, groenige plagioklaas en biotiet.

Afwijkend is echter de plagioklaas. Het mineraal kleurt groenig met veel donkere pitjes en vlekjes erin. Benadert de hoeveelheid plagioklaas die van kaliveldspaat of zijn de percentages gelijk, dan spreek je van monzo-graniet. Is kaliveldspaat duidelijk in de meerderheid, dan is het gewoon biotiet-graniet, in de literatuur ook wel syeno-graniet genoemd. Is plagioklaas nagenoeg afwezig, dan heeft men het over alkaliveldspaat-graniet.

Om het nog ingewikkelder te maken,  we kennen ook nog grano-dioriet. Dit is een granietsoort met veel meer plagioklaas dan kaliveldspaat. Een heel bekende grano-dioriet is Uppsala-graniet uit Midden-Zweden. Het is een uitgesproken korrelig, wit-zwart gesteente met opvallend veel (hemels)blauwe kwarts. Ook Rönne-graniet van Bornholm is een grano-dioriet.

Tenslotte de groenige plagioklaas. In verse toestand glastransparant, is plagioklaas in onze oeroude Precambrische granieten meer of minder omgezet. Bij de omzetting wordt groene epidoot gevormd, heel fijn verdeeld, dat wel. Het maakt de plagioklazen prachtig pistache-groen. Dit laatste is hier het geval en wel in zo'n hoeveelheid dat een naam als monzo-graniet bij deze zwerfsteen op zijn plaats is.

 

 

 

 

 

Coronietische gabbro

Porfierische biotiet-graniet

De meesten van ons hoorden tot voor een paar maanden voor het eerst van het corona-virus. Nu hoef je de TV maar aan te zetten of de krant te lezen en het gaat over die 'beesten'. Hoewel beesten...? Dit ook weer niet. Het is wel beestachtig wat ze aanrichten, maar meer dan een stukje genetisch materiaal is het niet. Virussen leven niet. Ze maken gebruik van het leven.

Op het oppervlak van het virus zitten allemaal stekels, spike-eiwitten genoemd. Deze geven het virus zijn familienaam – corona, wat Latijn is voor krans of kroon. Ik moest er aan denken toen ik wat foto's van zwerfstenen zat te bekijken. Daar zat namelijk een coroniet bij.

Coronieten of coronietische gabbro's zijn magnesium- en ijzerrijke, groenzwarte dieptegesteenten. Ze bevatten veel donkere mineralen, die door processen in de aardkorst chemisch zijn omgezet. Deze gabbro's zijn gemiddeld zeer oud, de meesten tegen de 1,8 miljard jaar. Door omzetting ontstonden om de donkere mineralen nog donkerder randjes: corona's. Hoewel dieptegesteenten zijn deze gabbro's eigenlijk metamorf. Niettemin mooi spul en.......niet gevaarlijk.

 

Granieten zijn er te kust en te keur. Er zijn maar weinig landen op aarde waar geen granietrotsen voorkomen. In ons land zul je het gesteente niet aantreffen. Wij wonen en leven in een land van klei, veen en zand. Toch hebben ook wij granieten. Veel zelfs, zoveel dat vrijwel geen land ter wereld hier aan kan tippen. Met veel bedoel ik soorten en typen.

Onder noordelijke en ook onder zuidelijke zwerfstenen kun je in ons land bijzonder veel granieten vinden. In Zuid-Nederland zijn het Maasstenen, afkomstig uit de noordelijke Vogezen in Frankrijk. Of de Rijn uit het Duitse Odenwald ook granieten in ons land heeft afgeleverd, is niet duidelijk. De overgrote meerderheid van onze granieten is afkomstig uit Scandinavië. Ze werden in de Saale-ijstijd, zo'n 140.000 jaar geleden door ijstijdgletsjers naar ons land vervoerd.

Je hebt graniet en graniet. De variatie is enorm. Een verzameling granieten krijg je nooit compleet. Op de foto is een porfierische graniet afgebeeld. Met porfierisch wordt een structuur bedoeld, waar in een grondmassa van allerlei kristalbrokjes grotere kristallen lijken te zweven. De structuur van de steen heeft wel iets weg van een sucadebrood. Zo'n structuur noemt men porfierisch.

De grotere kristallen kristalliseerden het eerst in het nog vloeibare magma. Bij hun groei hadden ze nog alle ruimte, vandaar ook dat zij hun eigen kristalvorm tonen. In graniet zijn dit vooral (kali)veldspaten. In de steen op de foto vormen deze oranje tabletten. Daarnaast kristalliseert ook kwarts tamelijk vroeg uit. Deze kwartsen zijn naderhand weer ietwat door magmatische oplossing aangetast, maar vormen in deze graniet duidelijk herkenbare glazig-grijze klodders.

Plagioklaas, de andere veldspaat, is lichter van tint dan kaliveldspaat. Daar herken je deze veldspaatsoort ook vrij gemakkelijk aan. De donkere accenten in het gesteente komen op rekening van glimmer, in dit geval zwarte biotiet.

Omdat in de minerale bestanddelen in dit voorbeeld heel goed van elkaar te onderscheiden zijn, noemt met dit type graniet scherpkristallijn.

De herkomst is waarschijnlijk Zweden of Zuidwest-Finland. De precieze herkomst is niet aan te geven.

Tektonische wrijfspiegel op graniet

Gneis met hoornblende-porfyroblasten

Wrijfspiegels zijn in zwerfsteenland niet algemeen bekend. De voornaamste reden is dat ze weinig voorkomen/gevonden worden. Logisch ook, zwerfstenen zijn door het ijstransport in de ijstijd afgeschuurd tot meer of minder rondachtige vormen. Eventueel aanwezige wrijfspiegels zouden bij dit transport vrijwel volledig verdwenen zijn. Vind je aan een zwerfsteen een wrijfspiegel, dan is die in de meeste gevallen ontstaan omdat de kei langs dit vlak is doorgebroken, misschien wel lang nadat deze door het ijs in het landschap is achtergelaten.

De steen op de foto is een 'akkersteen'. Hij lag samen met vele duizenden andere zwerfkeien plus 'afgekeurde' aardappels op een grote hoop. Duidelijk stenen dus die bij het oogsten van aardappels zijn meegekomen. Wellicht dat we de wrijfspiegel te danken hebben aan het feit dat de kei bij het ploegen of oogsten in tweeën is gebroken. Het breukvlak is namelijk nog vers.

Wrijfspiegels ontstaan onderaards in het vaste gesteente, dat door tektonische oorzaken gebroken is. Hierbij zijn rotsgedeelten aan weerszijden van de breuk onder zeer grote druk ten opzichte van elkaar verschoven of langs elkaar gewreven. Aanwezig gesteentegruis fungeerde hierbij als slijp/polijstmiddel. Vandaar de sterke glans op het oppervlak. De zichtbare streping geeft de richting van de verplaatsing aan.

Vaak komt op wrijfspiegelvlakken een coating voor van groene epidoot. Dit is hier ook het geval. Het groen met roodbruin gevlekte uiterlijk van de wrijfspiegel wordt veroorzaakt door epidoot (=groen) en hematiet  roodachtig). Het gesteente zelf is een onbetekenende, gedeformeerde graniet.

Stenenliefhebbers die in Tirool in Oostenrijk op vakantie zijn geweest, zullen deze steen onmiddellijk herkennen. In het Oetztal, maar meer nog in het Zillertal, komt dit gesteente met zijn opvallende zwarte kristallen van hoornblende in talloze variaties voor. Vaak gaan de zwarte kristallen vergezeld van rode granaten.

De zwarte naaldvormige hoornblende-kristallen vormen smalle aggregaten, zeg maar bundels, die hier en daar aan hun uiteinden ietwat uitwaaieren. In een meer uitbundige vorm doen deze zwarte hoornblende-kristallen aan korenschoven denken, vooropgesteld, dat men dit begrip nog kent. Het oud-Nederlandse woord voor korenschoven is garve (in het Duits Garbe). Vandaar dat deze bijzonder aantrekkelijke gesteenten ook wel 'garveschist' of 'Garbenschiefer' genoemd worden. In petrografische zin is een naam als amfibool porfyroblastische glimmer-gneis juister, maar is een naam als hoornblende-gneis korter en ook eenvoudiger.

In tegenstelling tot de glimmerschisten in het Alpengebied in Oostenrijk, zijn deze hoornblende-gesteenten uit Scandinavië gewoon gneizen. Schisten bestaan in feite uit kwarts en glimmer, bij gneis komt daar ook nog veldspaat bij.

Deze fraaie hoornblende-gneis is als zwerfsteen in ons land bijzonder zeldzaam. Dit komt door zijn herkomst. Het gesteente komt in een aantal in elkaar overlopende varianten voor bij de stad Skien in Telemarken in Zuid-Noorwegen. Dit gebied lag in de ijstijd net buiten de baan van het landijs naar ons land. Via omwegen is dit zwerfsteentype toch in ons land beland en zijn in Friesland enkele zwerfstenen gevonden. Veel vaker vind je ze in Denemarken, vooral in het Limfjord-gebied in Noord-Jutland. Op de steenstranden daar is dit gesteente door zijn glimmerrijke of bijna spierwitte grondmassa met daarin gitzwarte naalden van hoornblende niet te missen. Toch zijn ze daar ook niet algemeen. Ze vallen leken ook op, die de stenen vaak als een souvenir meenemen. In de zomer is de spoeling daarom dun.

Deze gneis met hoornblende-porfyroblasten is een metamorf gesteente, ontstaan uit kleiïge sedimenten, vandaar dat de hoornblendekristallen meer of minder evenwijdig in het gesteente zijn gerangschikt.

Schokkegels in porfierische rapakivi-graniet 

Retro-eclogiet

Deze karakteristieke scherp kegelvormige structuren zijn schokkegels. Deze kegelvormige vlakken ontstonden bij de inslag van een enorme meteoriet van honderden meters doorsnede of meer. De zwerfsteen zelf is een porfierische rapakivi-graniet van Kökar. In het lichtkleurige graniet-gesteenten vallen talrijke, vaak idiomorfe tabletten van kali-veldspaat als eersteling-kristallen op. Dit graniettype is afkomstig van de Kökar-eilanden, een klein rapakivi-gebied ten zuidoosten van Aland in Zuidwest-Finland. Kökar-rapakivi's komen als zwerfsteen in het Hondsruggebied veel voor.

Bij de inslag van een meteoriet met een afmeting van enige honderden meter tot vele kilometers, wordt een enorme ravage aangericht. Meteoriet en gesteente op de inslagplaats verdampen ogenblikkelijk. In een zone daaromheen smelten aardkorstgesteenten, met daarin opgenomen grote en kleinere gesteentefragmenten en neergedaalde slierten en klodders lava-achtig materiaal. Deze sueviet-zone gaat over in een zone waarbij gesteenten die niet volkomen verbrijzeld zijn, maar ten gevolge van de enorme druk die de inslag veroorzaakte, typische druk- of schokkegels vertonen. Deze schokkegels zijn puntzakjes-achtige structuren met gladde vlakken, waarvan de punten naar de plaats van inslag wijzen. 

Onder noordelijke zwerfstenen geldt eclogiet als een curiositeit. In Scandinavië zijn slechts een paar vindplaatsen bekend. Voor zwerfstenen komen slechts twee gebieden in Zweden in aanmerking, waar mogelijke vondsten vandaan komen. Bovenstaande zwerfsteen zou uit Jämtland in Zweden afkomstig kunnen zijn.

Eclogiet is een ultra-metamorf gesteente dat onder zeer hoge druk en een sterk verhoogde temperatuur uit basalt, diabaas of gabbro ontstaat. Door de extrme omstandigheden op 35 kilometer diepte en meer worden bestaande mineralen omgezet in nieuwe, die onder de heersende omstandigheden stabiel zijn. In eclogiet zijn dit vooral groene pyroxeen (omfaciet) en rode granaat. 

Gewraakt eclogiet door tektonische processen op een hoger niveau in de aardkorst, dan zijn vermiderde druk en temperatuur de oorzaak dat de bestaande mineralen uiteenvallen en omgezet worden. Groene omfaciet verandert in groenachtige amfibool, terwijl de rode granaten deels omgezet worden in spinel, amfibool en chloriet.

Porfierische rapakivi-graniet van Kökar 

Impactiet ofwel inslagbreccie

Rapakivigranieten afkomstig van het kleine rapakivi-gebied van Kökar, uit het uiterste noordoosten van de Oostzee, komen in het Hondsruggebied als zwerfsteen veel voor. Zwerfsteentypen als op de foto zijn echter zeldzaam. De foto toont een zeer duidelijk voorbeeld van een grootkorrelige, porfierische graniet , waarin vooral grote zalmrose tabletten van kaliveldspaat opvallen.

De hoekige, idiomorfe plagioklazen zijn door veroudering en omzetting olijfgroen van kleur, veroorzaakt door fijnverdeelde epidoot. De kwartseerstelingen zijn prachtig blauw en bovendien gezoneerd. Kaliveldspaat vormt  tegelijk ook Karlsbader tweelingen.

Inslagen van grote meteorieten zijn gelukkig zeer zeldzame gebeurtenissen. Stukken ruimtepuin van enige kilometers doorsnede vallen met tussenpozen van enige tientallen miljoenen jaren op aarde. Bij de inslag verdampt zowel de meteoriet als het gesteente op de inslagplaats. Daaromheen bevindt zich een zone met gesmolten gesteente waarin talrijke brokstukken gesteente voorkomen, die na een luchtreis terug zijn gevallen in de vloeibare gesteentesmelt. De zwerfsteen op de foto is hiervan een voorbeeld. In het onaanzienlijke grijsverweerde gesteente zijn met moeite een aantal onregelmatige insluitsels van gesteente te herkennen. Zwerfstenen van impactiet zijn uitermate zeldzaam.

Sormland-gneis

Zandsteen met flute casts ofwel uitkolkingen

Zo noemt men deze opvallende, breedgebande gneizen met granaten. Het gesteente komt voor in de omgeving van de Zweedse stad Stockholm. Zwerfstenen ervan zijn niet zeldzaam.

Het gesteente is een gneis, beter gezegd een migmatiet(gneis). Dit zijn ultra-metamorfe gesteenten die eigenlijk een aparte positie in de gesteentenwereld innemen. Ze vormen a.h.w. de overgang van metamorfe gesteenten naar magmatische gesteenten.

Migmatieten ontstaan op grote diepte in de aardkorst door langzame metamorfose uit andere metamorfieten. Druk en vooral ook  temperatuur bereiken waarden, waarbij mineralen als kwarts en veldspaat opsmelten. Het gloeiend hete vloeibare materiaal migreert naar scheuren en spleten in het gesteente en kristalliseert daar uit tot graniet, pegmatiet en soms schriftgraniet. Dit zijn de lichtkleurige banden in het gesteente. De oorspronkelijke gneis is door zijn rijkdom aan biotiet veel donkerder. De granaten daarin zijn ook anders van vorm, meer amandelvormig. In de lichtkleurige delen hebben ze hun eigen vorm, vandaar de uitdrukking idiomorf.

Tijdens de metamorfose worden, afhankelijk van omstandigheden en samenstelling van het uitgangsgesteente, nieuwe mineralen gevormd. Rode granaat is hiervan een fraai voorbeeld. Ze zijn maar tijdelijk, want veranderen de omstandigheden, dan vallen deze nieuwgevormde granaten in hun bouwstenen uiteen en vormen zich daaruit weer andere combinaties (lees mineralen).

Sormland-gneis onderscheidt zich van vrijwel gelijke verwanten op andere locaties in Scandinavië, door het gemis aan kwarts.

Veel mensen zullen nooit van troebelingsstromen gehoord hebben. Geen wonder want het onttrekt zich aan directe waarneming. In zee worden omvangrijke pakketten sediment afgezet, vaak zand en klei en dat in steeds dikkere lagen. Waar de onderzeese continentranden naar de diepzee afdalen, kunnen door zwaartekracht of door een aardbeving plotseling enorme hoeveelheden zand en klei naar de diepzee afglijden. Het zijn een soort onderzeese lawines die soms honderd kilometer en meer over de bodem van de diepzee kunnen uitstromen voordat het meegevoerde sediment tot rust komt. Deze verschijnselen noemt men troebelingsstromen.

Bij voorbijtrekkende troebelingsstromen treedt op de bestaande diepzeebodem ook enige erosie op. Deze erosie bestaat uit kleine uitkolkingen met een onregelmatig lengteprofiel.

Het oppervlak van de zandsteen op de foto toont de onderzijde van een afzetting van zo'n troebelingsstroom (turbidiet), die kleine uitkolkingen heeft opgevuld. De structuren op de foto maken duidelijk dat de stroming van rechts beneden schuin naar linksboven heeft gelopen. Deze structuren noemt men in de geologie flute casts.

De herkomst van deze zandsteen is waarschijnlijk de Harz in Duitsland, waar op vrij grote schaal turbidieten uit het Onder-Carboon voorkomen (Grauwacke-zandstenen).

 

Serpentiniet

Graniet-porfierische Norrland-graniet

Het is niet moeders mooiste, deze serpentiniet, maar als zwerfsteen uiterst zeldzaam. Het is mijn derde vondst tot dusver. Het was ook een behoorlijk groot exemplaar. Vandaar dat met de voorhamer een interessant stuk kon worden afgeslagen en meegenomen. De kei is gevonden bij Vastorf zuidoostelijk van Lüneburg in Duitsland.

Serpentiniet is een metamorf gesteente. Het is ontstaan uit donkere, magnesiumrijke gesteenten als duniet, peridotiet of pyroxeniet. Duniet en peridotiet zijn mantelgesteenten. Deze gesteenten bestaan vooral uit mineralen als olivijn en pyroxeen (augiet).

Bij plaattektonische processen en gebergtevormingen kunnen delen van de onderliggende mantel in de aardkorst belanden en in gebergtemassieven worden opgenomen. Tijdens deze processen wordt het mantelgesteente omgezet in serpentiniet. In de Alpen en ook in Italië komen deze gesteenten op verschillende plaatsen voor. De graad van metamorfose is niet erg hoog. Voorwaarde is wel een verhoogde temperatuur en de aanwezigheid van waterige oplossingen, die door gesteenten diffunderen.

Serpentiniet is als zwerfsteen een onopvallend gesteente. Door verwering aan de buitenzijde grijsgroen gebleekt, vettig/zepig aanvoelend en onder de hamer opvallend zacht. Op het breukvlak is het gesteente meestal donkergroen, dicht zonder merkbare korreling of structuur. Wel komen soms - ook in deze zwerfsteen - onregelmatig gevormde grote kristallen voor van pyroxeen. Het lijken eerstelingen. Ze zijn op het breukvlak aan hun enigszins spiegelende splijtvlakken te herkennen.

Bijzonder is verder dat bij de omzetting van het mineraal olivijn magnetiet ontstaat. Het vormt kleine zwarte metalige kristallen in het gesteente. De aanwezigheid van magnetiet is ook de oorzaak dat magneetjes aan het gesteente blijven kleven.

 

 

De laatste jaren zijn uit Zweeds Lapland een aantal nieuwe gidsgesteenten bekend geworden, waaronder Sorsele-graniet. Deze zwerfstenen uit het verre Lapland, ter hoogte van de noordelijke Botnische Golf worden wel ' lange-afstands-kampioenen' onder noordelijke zwerfstenen genoemd.

Inmiddels zijn van deze en andere Norrland-granieten op de Hondsrug vele tientallen zwerfstenen gevonden. Het eerdere predicaat zeldzaam blijkt maar weer eens betrekkelijk te zijn. In de rode Emmen-keileem op de Hondsrug komen bijzonder veel Oost-Baltische zwerfsteentypen voor, rapakivi's voorop. Norrland-granieten blijken in het Hondsrug-gebied evenmin zeldzaam te zijn. In zwerfblokgrootte zijn ze zelfs vrij algemeen te noemen.

De zwerfsteen op de foto bezit een duidelijke porfierische structuur. De grondmassa is somber grijsviolet en fijnkorrelig. Kwarts is nauwelijks te ontdekken. Des te meer veldspaateerstelingen, waarbij die van kaliveldspaat het meest voorkomen. Ze zijn maximaal iets meer dan 1cm groot, hoekig, soms zijn meerdere veldspaateerstelingen glomerofyrisch vergroeid, andere tonen een karakteristieke spoel- of ruitvorm. Deze spoelvorm is kenmerkend voor Sorselegraniet. Verder komen een aantal plagioklazen voor, sommige zijn groenachtig, andere zijn door verwering uitgevreten. De (groenige) plagioklazen bevatten in hun kern vaak kleine zwarte insluitsels.
Deze zwerfsteen is een graniet-porfier, en zou een variant van Sorselegraniet kunnen zijn.

Nexö-zandsteen

Oud en minder oud

Zandstenen vormen een wat onderbelichte groep zwerfstenen. Ze zijn te weinig specifiek en als zwerfsteen te gewoon. Meestal dan. Zwerfstenen van zandsteen tonen een veelheid aan structuren, korrelgroottes en kleuren. Elk daarvan kan veelzeggend zijn, maar vaak ook niet.

Hoewel aan veruit de meeste zandstenen geen herkomstgebied gekoppeld kan worden, zijn er bij waar dit wel mogelijk is. Nexö-zandsteen is hier een voorbeeld van.

Bij Nexö, in het oosten van het Deense eiland Bornholm in de Oostzee, komt een gelaagd type, veelal grijs-roodviolet gekleurde zandsteen voor. De korreling loopt sterk uiteen van conglomeratisch en veldspaathoudend tot fijnzandsteen. Nexö-zandsteen bevat vaak veldspaatkorrels. Door bleking kleuren deze witachtig.

Het meest voorkomende type Nexö-zandsteen toont naast rood-violette kleuren ook typen met gele tot geelwitte stippen, vlekken en banden. Kortom Nexö-zandsteen is nogal variabel.

Op vindplaatsen met veel Bornholmgranieten, zoals op Noordoost-Fünen in Denemarken, zijn zwerfstenen van Nexö-zandsteen niet zeldzaam. Juist de aanwezigheid van talrijke Bornholmgranieten daar, maakt de herkenning van deze roodgrijze tot violette zandstenen op de stranden een stuk makkelijker en een determinatie als Nexö-zandsteen veelal mogelijk.

Zo mag je dit samenspel wel noemen. Twee verschillende gesteenten in één zwerfsteen en zo contrastrijk kom je niet vaak tegen. De kei toont een combinatie van een vulkanisch en een metamorf gesteente. 

Het lichtkleurige deel bestaat uit een geplooide mylonietgneis. Oorspronkelijk is het een grootkorrelige porfierische graniet geweest, die diep in de aardkorst gemangeld werd door tektonische krachten. Hierbij zijn de samenstellende bestanddelen verbrijzeld en tot lenzen en strepen uitgewalst. Tektoniek is tevens oorzaak dat het gesteente vervolgens intensief werd geplooid. Kortom kinetische metamorfose volgens het boekje.

Korte of langere tijd daarna is via spleten in het gesteente, onder grote druk, basaltisch magma ingedrongen en gekristalliseerd. De snelle afkoeling van het magma door het omringende, veel koudere gneisgesteente maakte dat een dicht type basalt ontstond. De structuur van de basalt is aphanietisch, d.w.z. zichtbare kristallen ontbreken. Ook het contactvlak tussen gneis en basalt toont geen opsmeltingsverschijnselen of andere reacties.

De mylonietgneis is ongetwijfeld van Precambrische ouderdom. Van de basalt is dit minder zeker. Het zou ook om een Mesozöisch basalt-type  kunnen gaan.

Inslagbreccie (Impactiet)

Leuco-gabbro

Deze steen is opgeraapt in de omgeving van Borger op de Hondsrug in Drenthe.  Op aarde komen impactieten niet zo heel veel voor, als zwerfsteen is het gesteente ronduit een curiositeit. Impactieten ontstaan bij de inslag van reuzenmeteorieten. De grootte ligt ergens tussen een paar honderd meter en een paar kilometer. Met een snelheid van om en nabij 70 km per seconde slaat een dergelijk ruimtebrok op aarde neer met rampzalige gevolgen. In een fractie van een seconde zijn zowel meteoriet als het gesteente waar de inslag plaats vindt verdampt. Hier komt zoveel energie bij vrij dat hele landstreken verwoest worden. Het gesteente in wijde omgeving van de inslag smelt, verbrokkelt of toont typische schokpatronen als gevolg van de enorme druk. 

De steen op de foto is een grotendeels gesmolten en weer gekristalliseerd brok aards gesteente met daarin vegen en slierten van puimsteenachtig materiaal. Impactieten lijken veel op vulkanische gesteenten. De herkomst ligt ergens in Zweden of Finland. Een bekende locatie Dellensee aan de Botnische Golf zou zomaar de plaats van herkomst kunnen zijn. De gelijkenis is groot.

 

 

Gabbro is een algemene zwerfsteensoort. Vooral in Oost-Baltische zwerfsteengezelschappen in het Oost-Drentse Hondsruggebied komen ze veel voor. Toch is het gesteente bij verzamelaars niet erg populair. Hun manco is dat ze de bonte kleurigheid van graniet missen en wellicht nog belangrijker, van de meeste gabbro-zwerfstenen is niet goed bekend waar het oorsprongsgebied in Scandinavië ligt.

Gabbro’s zijn doorgaans grijszwarte, zwartgroene tot geheel zwarte gesteenten met een wisselend percentage lichtkleurige plagioklaas. De donkere bestanddelen in het gesteente bestaan uit pyroxeen (augiet) en/of amfibool (hoornblende). Het kleurcontrast tussen plagioklaas en donkere mineralen is vooral bij enige verwering groot.

Naast deze sombere gabbro-soorten zijn er ook die uitgesproken lichtkleurig zijn. Deze gabbro's bevatten een hoog percentage plagioklaas en hooguit 10 % of iets meer aan donkere mineralen. Deze zwerfstenen noemt men heel toepasselijk leuco-gabbro (van Gr. Leucos = wit).

Leuco-gabbro's komen ook in het Hondsrug-gebied relatief vaak voor, meer dan in andere delen van Midden- en Noord-Nederland. De oorzaak is dat de meeste Hondsrugstenen afkomstig zijn uit Noord-Zweden, Botnische Golf, Zuidwest-Finland en de noordoostelijke Oostzee. In de Botnische Golf aan de kust van Angermanland komen deze veldspaatgabbro's veel voor. Ook op het westelijk gelegen kleine eiland Västersten op Aland zijn leuco-gabbro's en zelfs ook anorthosieten bekend. Anorthosiet is nog veldspaatrijker dan leuco-gabbro. Sommige typen bevatten nauwelijks donkere mineralen.

Dala kwarts-porfier

Amygdaloïdale paleo-basalt (melafier-amandelsteen)

De zwerfsteen op de foto is gevonden op een akker bij Borger op de Hondsrug. Het is een mooi en duidelijk voorbeeld van een kwartsporfier, lang geleden ontstaan bij de uitbarsting van een vulkaan. Kwartsporfieren in deze vorm zijn in vrijwel alle gevallen ontstaan uit het gloeiend hete afgezette materiaal van gloedwolken ofwel pyroklastische stromen. De intense hitte zorgde er voor dat de losse vulkanische producten aaneen sinterden tot een keihard gesteente.

Kwartsporfier heeft de samenstelling van graniet. Je zou kunnen zeggen dat kwarts-porfier het uitvloeiingsgesteente ervan is, ware het niet dat lavastromen van granietisch magma eigenlijk niet bestaan. Granietisch magma is te taai om te vloeien. In een uiterst fijnkorrelige grondmassa zweven talloze dieprode kristallen en fragmenten van kaliveldspaat. Sommige zijn prachtig idiomorf, d.w.z. deze bezitten hun eigen vorm. Daarnaast zijn iets minder talrijk (glazig)grijze, soms hoekige kristallen van kwarts te zien. 

De precieze herkomst van deze porfier is niet bekend, maar vrijwel zeker is dat we hier met een porfier te maken hebben die uit de provincie Dalarna in Midden-Zweden stamt. Het is een van de allermooiste kwartsporfieren die de laatste jaren is gevonden.

Basalt kent iedereen al was het maar van de stenen in de dijken langs onze kust. Basalt is het meest voorkomende vulkanische gesteente op aarde. Alle oceaanbodems bestaan uit basalt.

Ook op land en vooral op vulkanische eilanden komt het gesteente veel voor. IJsland bestaat vrijwel uitsluitend uit basalt. Geologisch oude basalt is vaak chemisch en ook mineralogisch veranderd. De kleur van het gesteente verandert van grijszwart naar groenachtig(grijs). Dit gebeurt door circulatie van heet grondwater dat onder hoge druk door gesteenten in de aardkorst circuleert. Basalt dat dit proces ondergaat is in feite veranderd in een metamorf gesteente.

De uitdrukking'amygdaloïdaal' heeft betrekking op het voorkomen van talrijke rondachtige structuurtjes. Dit zijn voormalige gasbelletjes, waarvan het gas door de taaiheid van de lava niet meer naar het oppervlak kon ontsnappen. Sommige gasblaasjes zijn opgevuld met chalcedoon en mogelijk ook met calciet of zeoliet. Bij andere zijn de wandjes bekleed met roodbruine hematiet of groenachtige chloriet. 

Dergelijke oude omgezette basalten noemt men metabasalt (=metamorfe basalt). De afgebeelde zwerfsteen komt waarschijnlijk uit het stroomgebied van de Rijn in Duitsland. 

Verzameling en foto's: Hans van Essen - Dieren.

Tönsbergiet (Larvikiet)

Rapakivi-pegmatiet van Kökar

Sommige zwerfstenen zijn zeldzaam, daarnaast heb je ook nog zeldzamere, maar het vinden van een steen als op de foto overkomt je maar een enkele keer in je leven, in Nederland tenminste.

Zwerfstenen uit Zuid-Noorwegen, vooral die uit de omgeving van de stad Oslo, zijn begeerde verzamel- en studieobjecten. Ze zijn niet alleen als zwerfsteen bijzonder, ook als gesteente komen ze op aarde zeer weinig voor. Dit heeft te maken met hun ontstaanswijze. Oslogesteenten zijn geologisch gezien piepjong, vergeleken met talloze granieten, gneizen en migmatieten in Zweden en Finland. Ze ontstonden op het eind van de Carboonperiode en vooral tijdens het Vroeg-Perm langs en in een aardbreuk waarlangs veel vulkanisme plaatsvond. Het was de tijd ook, waarin de zandlaag in Noord-Nederland ontstond, waar zich later het aardgas in ophoopte.

De steen op de foto met zijn fraaie ruitvormige (=rhombische) veldspaateerstelingen is in feite een larvikiet, die door veroudering (=hydrothermale invloeden) van karakter en samenstelling is veranderd. Deze variëteit wordt in de zwerfsteenkunde Tönsbergiet genoemd.

Er zijn zwerfsteensoorten die je vaker vindt. Rapakivi's zijn in het Hondsruggebied bijzonder algemeen te vinden. Dus waarom dan een rapakivi? 

Pegmatiet komt veel voor in granietvoorkomens. Ze ontstaan uit een zeer dunvloeibare restsmelt, als het overgrote deel van het magmalichaam onderaards al is gekristalliseerd. Water in gasvorm speelt bij de vorming van pegmatiet een belangrijke rol. 

Rapakivimagma is een zogenaamd 'droog' magma-type. Het watergehalte daarin is bijzonder gering. Dit komt omdat rapakivigranieten ontstaan zijn door opsmelting van de onderste aardkorstgesteenten in aanwezigheid van heet basaltisch magma, dat uit de mantel afkomstig is. Gesteenten uit de onderste aardkorst bevatten doorgaans weinig water. Rapakivimagma dus ook. De afwezigheid of het grote gebrek aan water is reden waarom in rapakivi's zo weinig pegmatiet voorkomt. Vind je vervolgens een zwerfsteen met pegmatiet en die steen blijkt een rapakivigraniet te zijn, dan is het bingo!! Zeldzaam zijn ze!

De rapakivi op de foto's is een Kökarrapakivigraniet, afkomstig uit het kleine satellietmassief op de bodem van de noordelijke Oostzee, net ten zuiden van de Aland-eilanden. Kökarrapakivi's behoren tot de mooiste rapakivigranieten, die we kennen. De vriendelijke oranjegele of meer rode kleur, hun grof- tot grootkorreligheid maakt zwerfstenen ervan aantrekkelijk en heel herkenbaar.

Gedeformeerde graniet

Geplooide gneis

De zwerfsteen op de foto is een graniet. Het is een type die op een bepaald moment in zijn 'leven' iets heeft meegemaakt wat ie in de rest van zijn bestaan nooit meer is kwijt geraakt.

Gedeformeerd wil zeggen dat omstandigheden in de aardkorst, toen deze graniet nog deel uitmaakte van de vaste rots, ergens in Scandinavië, op vele kilometers diepte de gevolgen van enorme druk onderging. Het waren niet zozeer drukverschijnselen die te maken hadden met plaatbotsingen, het moet meer statische druk zijn geweest. Puur het gewicht dus van bovenliggende gesteentepakketten.

Het gevolg was dat alle samenstellende mineralen, kwarts, veldspaat en glimmer gegranuleerd zijn tot een suikerkorrelige massa. Heel vaak zie je bij dergelijke granieten dat vooral kwarts vergruisd is. Veldspaat laat dit in mindere mate zien. In deze steen zijn echter alle mineralen verbrijzeld.

Het gesteente is dus nog gewoon graniet, zij het dat zijn minerale bestanddelen tot suikerkorrelgrootte zijn vergruisd. Vorm en begrenzing van de oorspronkelijke mineralen zijn bewaard gebleven. Er is geen sprake van parallelle rangschikking van de mineralen, als gevolg van gerichte druk, waardoor gneis-graniet of mylonietgneis zou zijn ontstaan.

Het kleurige gesteente bestaat uit roodachtige kaliveldspaat, geelwitte plagioklaas en donkergrijze kwarts. Biotiet vormt verspreid zwarte aggregaten. Ze zijn gering in aantal.

Bijzonder is dat de plagioklazen donker gespikkeld zijn. Dit is het gevolg van omzetting en vergruizing. Plagioklaaskristallen bevatten vaak donkere insluitsels, zeker als ze oud en chemisch omgezet zijn. Gesteenten als deze zullen zo'n slordige 1600-1800 miljoen jaar oud zijn. Een andere bijzonderheid is dat roodachtige kaliveldspaat hier en daar mantels (dikke randen) vormt om de plagioklaas.

Ongetwijfeld een Zweeds/Fins gesteente, maar waar vandaan? Geen idee, maar mooi is ie wel.

Gneis is een metamorf gesteente ofwel een omzettingsgesteente. Op meestal grote diepte in de aardkorst veranderen bestaande gesteenten, onder invloed van druk en vooral temperatuur, van uiterlijk en samenstelling. Hierbij vallen bij een bepaalde druk- en temperatuurverhouding minerale bestanddelen uiteen. Uit de bouwstenen ervan vormen zich nieuwe mineralen, die een tijdlang tegen veranderende en extremere omstandigheden bestand zijn.

Deze omzetting vindt plaats in vaste toestand. Aan- en afvoer van moleculaire en atomaire bouwstenen vindt plaats via microporiën in het gesteente. Smelten gebeurt pas in het stadium waarbij migmatieten gevormd worden. In de steen op de foto is hiervan een begin te zien. Deze processen duren miljoenen jaren.

Vooral bij de vorming van gebergten ontstaan op grote schaal metamorfe gesteenten. De meeste ontstaan uit (zeebodem)sedimenten, zoals klei, kalksteen, zandsteen of mengsels daarvan. Uit siltige klei vormt zich bij progressieve metamorfose achtereenvolgens leisteen, fylliet, glimmerschist, gneis, migmatiet tot uiteindelijk via nebuliet graniet ontstaat. Gesteenten zijn dus ook onderdeel van een kringloop.

Gneis is een containerbegrip voor een groot aantal meer of minder gestreepte en meest kleurige gesteenten met een granietische samenstelling. Veldspaat, kwarts en glimmer zijn veelvoorkomende bestanddelen.

Onder invloed van zijdelings gerichte druk op grote diepte in de aardkorst worden gesteenten geplooid, soms zeer intensief, zoals op de foto. Je kunt het plooien vergelijken met een tafelkleed waar je tegenaan duwt. Je krijgt dan plooien in het kleed. Bij metamorfe gesteente kan dit ook gebeuren, maar dan is de kracht waarmee tegen het gesteente wordt gedrukt veel groter.

 

Graniet met xenolieten ofwel magmatische opslokking

Rödö-rapakivi

De steen op de foto ziet er nogal opvallend uit, contrastrijk ook. Wat het is, is niet direct te zeggen. De steen illustreert namelijk een proces, dat bij magmatieten ( stollingsgesteenten) veel voorkomt.

De ene steensoort, in dit geval een zeer lichtkleurige graniet, slorpt delen van een ander, veel donkerder gesteente op. De donkere gesteentedelen lijken wel op schollen of drijvende ijsschotsen. Het lichtkleurige gesteente is graniet, maar wat in dit geval het donkere gesteente is, is niet direct duidelijk. Op het eerste gezicht doet het aan gabbro denken. Dit is een donker ijzer- en magnesiumrijk gesteente. Gabbro is het dieptegesteente van een gesteentesoort die wij veel beter kennen, namelijk basalt.

De donkere partijen zijn losse geïsoleerde, deels opgesmolten gesteentefragmenten. Het opdringen van granietmagma in de aardkorst moet het donkere nevengesteente hebben aangetast en gebroken, waarbij losse fragmenten in het magma zijn opgenomen. Dat dit de volgorde moet zijn en niet andersom wordt duidelijk uit de lichtkleurige graniet. Deze vormt in het gesteente de matrix waarin de donkere gesteentedelen als het ware 'zweven'. En juist dit is vreemd. Donkere gesteenten, zoals gabbro hebben een veel hoger smeltpunt dan graniet. Met andere woorden, graniet kan gabbro niet opsmelten. Dit laatste is echter in deze steen wel het geval geweest. Aan de donkere spikkels en vlekjes in de graniet blijkt duidelijk dat donker materiaal is opgenomen (geassimileerd).

Een mogelijkheid is dat het geen gabbro is, maar dat het om dioriet gaat. Gabbro en dioriet zijn eigenlijk zonder microscopisch onderzoek niet van elkaar te onderscheiden. Er bestaan dus ook zeer donkere, op gabbro gelijkende, typen dioriet. Het donkere mineraal in dioriet is voornamelijk hoornblende. Onder bepaalde omstandigheden is opsmelting daarvan wel mogelijk. Hoewel de eerste indruk er een is van een graniet met xenolieten (insluitsels) van gabbro, gaat het vermoedelijk toch om dioriet. In dit geval een heel donker type. Microscopisch onderzoek aan de plagioklaas zou uitsluitsel kunnen geven. Met het blote of of met een loep valt hierover echter niets te zeggen.

Rödö is een klein Zweeds eiland voor de kust van Zweden bij Sundsvall in de Botnische Golf. De naam betekent 'rood eiland'. Het rode duidt op de kleur van de rots waar het eiland voor een deel uit bestaat. Dit is een rapakivi-graniet, zoals op de foto. Oranjerood met een opvallende structuur van witte ringen rond een rode kern. Deze ronde geringde vlekken zijn ruimtelijk gezien kleine ballen van veldspaat, rode kaliveldspaat binnenin omgeven door een mantel van witverwerende plagioklaas. Ovoïden noemt men die (van ovos=ei).

Veel bekender als deze rapakivi van Rödö is Aland-rapakivi. Deze bezit ook een opvallende ringetjesstructuur, maar in Aland-rapakivi zijn de ovoïden kleiner. Bovendien zijn de witte ringen dunner.

Rapakivi's ontstonden op een andere wijze dan de meeste granieten op aarde. In Zweden en Finland vormen ze geïsoleerde voorkomens te midden van oudere gebergtegesteenten. De ouderdom ligt tussen 1540 en 1750 miljoen jaar.

Rapakivi's vormen plaatvormige lichamen in de aardkorst. De dikte ervan ligt tussen de vijf en tien kilometer, heel anders dan bij granietvoorkomens, waarvan de ondergrens niet bekend is.

Rapakivi's zijn afkomstig uit de onderste aardkorst. Bij het omhoogkomen van gesmolten mantelgesteente heeft dit gesteenten van de onderste aardkorst opgesmolten. Hieruit is rapakivi-magma ontstaan. Dit magma is samen met het basaltische mantelmagma in de aardkorst opgestegen tot op enkele kilometers onder het aardoppervlak. Daar is het langzaam gekristalliseerd.

Rapakivi's komen in Scandinavië in een aantal grote en talrijke kleinere massieven voor. Elk massief heeft zijn eigen sortiment aan rapakivi-gesteenten. De meeste wijken van elkaar af, ondanks dat ze gemeenschappelijke kenmerken bezitten. Alleen in grote voorkomens als Aland, Rödö, Viborg en mogelijk ook het onderzees gelegen Noord-Baltische rapakivi plutoon, komen rapakivi's voor met een ringenstructuur. Het eiland Rödö vormt maar een klein deel van het rapakivivoorkomen in de Botnische Golf. Zwerfstenen van Rödö-rapakivi zijn in ons land zeldzaam.

Myloniet-ogengneis met tektonische breuk

Gneis met hoornblende porfyroblasten

Deze gneis toont op aanschouwelijke wijze twee gebeurtenissen die gesteenten soms ondergaan. Bij metamorfose op grote diepte in de aardkorst veranderen gesteenten geleidelijk van samenstelling en structuur. Zijn de dynamische krachten bijzonder groot, dan treedt een soort vermalingsproces op. Tegelijkertijd vindt een heroriëntatie en groei van de minerale bestanddelen plaats. Dit alles gebeurt in vaste toestand. Wel kan de temperatuur hierbij flink hoog zijn. Deze gesteenten noemt men myloniet (Gr. mylos = malen)

Onder invloed van druk richten de uitgewalste minerale bestanddelen zich loodrecht op de drukrichting. Zo ontstaat een gestreepte gneis-structuur. Door diffusie via microporiën ontstaan er tevens nieuwvormingen, die in deze gneis vooral uit oranje kaliveldspaat bestaan. Ze vormen meer of minder duidelijke lensjes, vlekjes en en oranje banden in het gesteente.

In de bandvormige strepen zijn talrijke heldere pitten zichtbaar. Dit zijn nieuwvormingen, amandel- tot oogvormig van lichter getinte veldspaat. Deze ogen zijn kristallen die ten koste van de omgeving groeien, ook in vaste toestand. Omdat ze in een metamorfe omgeving ontstaan zijn, noemt men deze pitten 'porfyroblasten'.

Bijzonder is dat deze gneis tevens een mooi voorbeeld is van kataklase. Als gevolg van verplaatsingen van gesteentedelen langs smalle breukzones, treedt breukvorming, verbrijzeling en zelfs vermaling van het gesteente op. Kataklase vindt doorgaans plaats op niet al te grote diepte als gebergtevormende krachten het gesteente laten breken en verbrokkelen. In deze steen is heel fraai te zien dat breukschade vooral is opgetreden in het linker gedeelte. Langs de breukzone heeft verschuiving plaatsgevonden, zodanig dat in het linker deel een reeks smalle rekspleten zijn ontstaan. De oranje band veldpaatband links onderaan laat een verdergaande deformatie zien. Deze is duidelijk naar onderen afgebogen, met hier en daar breuk- en vermalingsverschijnselen. Dit bewijst dat het gesteente niet in half gesmolten toestand moet hebben verkeerd, maar zich naar de omstandigheden ductiel heeft gedragen.

Soms vind je een zwerfsteen die je hart even sneller doet kloppen, vooral als je onder het vuil vandaan zwarte naalden ziet verschijnen in een lichtkleurige grondmassa. Na een grondige schoonmaakbeurt met dikke bleek was het duidelijk, een gneis met hoornblende-porfyroblasten.

Dit gesteente kom je in ons land bar weinig tegen. Bovendien is het ook nog eens een gidsgesteente, want zijn herkomst is bekend. Om met dit laatste te beginnen. In de omgeving van de Zuid-Noorse stad Skien komt een vergelijkbaar gesteente voor. Van die locatie en ook iets verderop uit de omgeving van de stad Oslo in Noorwegen, zijn maar weinig zwerfsteensoorten in ons land terecht gekomen. Bovendien vind je veel vaker een rhombenporfier uit die wereld dan deze hoornblendegneis.

Het is een metamorf gesteente dat van sedimentaire oorsprong is; waarschijnlijk was het uitgangsgesteente een kalkhoudende zandige klei of iets vergelijkbaars. Tijdens de Zweeds-Noorse gebergtevorming van zo'n 1000 miljoen jaar gelden, toen twee continentale landmassa's op elkaar botsten, ontstond in Zuidwest-Zweden en in Zuid-Noorwegen een gebergtegordel. Hierbij zijn talloze gesteenten door gerichte druk en bij een (sterk) verhoogde temperatuur gemetamorfoseerd. Ook deze opvallende gneis met zijn pikzwarte glanzende hoornblendenaalden is toen ontstaan.

De zwarte naalden kristalliseerden in vaste toestand, het gesteente was niet gesmolten. Via microporiën werden in het bestaande gesteente bestanddelen aan- en afgevoerd, waarbij nieuwe mineralen ontstonden. Deze groeiden ten koste van hun omgeving. Omdat de kristallen langs metamorfe weg zijn ontstaan, heten het geen eerstelingen, zoals in magmatische gesteenten, maar worden ze porfyroblasten genoemd.

Diamictiet (tilliet)

Nebulietische migmatiet

Diamictiet is een begrip waar de meesten van ons geen beeld bij hebben. Het is een afzettingsgesteente dat op conglomeraat lijkt, waarin de bestanddelen zeer slecht ongesorteerd zijn. Grote stenen naast kleinere, zand en klei door elkaar.

Diamictiet beschrijft alleen het uiterlijk van het gesteente. De naam zegt niets over het ontstaan. De steen is gevonden bij Ertebölle in Noord-Denemarken. De eerste indruk was een conglomeraat, maar anders dan normaal. De stenen waren niet goed afgerond, eerder wat hoekig. Ook de spreiding in grootte van stenen en steentjes (=klasten) was opvallend, plus het feit dat van enige sortering geen sprake was.

Veel diamictieten zijn van glaciale oorsprong. Ze ontstaan uit sediment dat door gletsjers en landijs wordt afgezet. Dit sediment noemen we keileem. De stenen die in keileem voorkomen zijn van verschillende origine: kwarts zoals hier, graniet, gneis, zandsteen, kwartsiet e.d. Deze diamictiet van Ertebölle beantwoordt daaraan. De steen is daarom hoogstwaarschijnlijk een tilliet, de versteende vorm van keileem.

De kei is van Scandinavische oorsprong, maar waar precies vandaan is niet duidelijk. In Noord-Denemarken komen veel steensoorten voor die afkomstig zijn uit het Oslo-gebied in Zuid-Noorwegen. Iets ten noorden daarvan, bij Moelv, noordwestelijk van de stad Hamar, komt een Precambrische tilliet voor. Het uiterlijk komt overeen met dat van de zwerfsteen, kleur en korreling ook. Het zou dus kunnen zijn dat de tilliet van Ertebölle daar vandaan komt.

Al met al een bijzondere vondst, die alleen gefotografeerd kon worden. Een stuk afslaan doe je bij zo'n grote kei niet. Wordt ie nog lelijker van.

Zo worden gesteenten genoemd die soms op tientallen kilometers diepte in de aardkorst, in de wortels van hooggebergten ontstaan. Migmatiet is een ultra-metamorf gesteente. Het ontstaat bij zeer hoge druk en een sterk verhoogde temperatuur uit andere gesteenten, vaak van sedimentaire oorsprong. Je houdt het niet voor mogelijk, maar uit zavelige klei in het noorden van de provincie Groningen kan uiteindelijk een dergelijk migmatietgesteente ontstaan. Duurt wel miljoenen jaren en ook nog alleen op plaatsen waar continenten botsen, waarbij hooggebergten als de Alpen ontstaan.

Druk en temperatuur lopen bij metamorfose zo hoog op dat vooral minerale bestanddelen als kwarts en veldspaat smelten en vervolgens weer kristalliseren. Donkere bestanddelen als zwarte biotietglimmer vragen een nog hogere temperatuur. Dit veroorzaakt het grillige kleurverloop en streperigheid. Waar de grens tussen migmatiet en graniet vaag wordt spreekt men van nebuliet (van mist of nevel) ofwel van nebulietische migmatiet.

Migmatieten komen overal op aarde op continenten voor. Het gesteente wordt veel aan gebouwen, in vloeren, aanrechten en ook in grafwerken verwerkt. Ook als noordelijke zwerfsteen zijn duizenden zwerfstenen van migmatiet door ijstijdgletsjers naar ons land vervoerd. Gezaagd en gepolijst zijn het zo ongeveer de mooiste zwerfstenen die je kunt vinden. Migmatiet komt op veel plaatsen in Zweden en Finland voor. Het gesteente vormt de overgang van gneis naar volkristallijne graniet. Ook gesteenten zijn dus onderworpen aan een kringloop van ontstaan, vergaan en opnieuw geboren worden. Net een fenix, maar dan iets anders.

Lemland-graniet

Rhomben-porfier

Een zoektocht door de keientuin in Borger levert, ook na jaren, regelmatig bijzondere zwerfstenen op. Geen wonder, want in de keizentuin liggen honderdduizenden zwerfstenen.

Lemland-graniet is een opvallende graniet, porfierisch door de talrijke tot 4cm grote tabletten van kaliveldspaat. Het gesteente is lever- tot vleeskleurig bruin. Door verwering, zoals de steen op de foto, wordt de kleur iets lichter.

Lemland-graniet lijkt in de verte op een porfierische rapakivi-graniet. Hoewel het vaste gesteentne voorkomt op een aantal kleine eilanden voor de kust van Lemland, in het zuidwesten van Aland, heeft dit gesteente niets met rapakivi's te maken. Lemland-graniet vormt een zelfstandig, klein voorkomen en is geologisch gezien ook ouder dan de rapakivi-granieten op Aland.

Door zijn duidelijke porfierische bouw is het een opvallende zwerfsteensoort, daardoor ook niet moeilijk te herkennen. Bijzonder is dat de plagioklaas in veel Lemland-granieten diep roodbruin van kleur is. Normaal is plagioklaas vrijwel altijd lichter getint dan kaliveldspaat. In Lemland-graniet, Kökarrapakivi en ook in sommige microklien-granieten in Zuidwest-Finland is de plagioklaas vaak donkerder dan kaliveldspaat.

Ondanks zijn donkere tint verweert bruinrode plagioklaas aan de buitenkant van zwerfstenen wit. Op sommige eilanden bij Lemland is de plagioklaas echter niet roodbruin maar (groen)witachtig. Zwerfstenen met deze witte plagioklaas komen in het Hondsruggebied het meest voor.

Kwarts vormt grote, heldergrijze tot rookgrijze aggregaten. Biotiet en zwartgroene chloriet zijn de donkere bestanddelen in deze graniet. Ze komen niet veel voor.

Lemland-graniet is in Oost-Baltische zwerfsteengezelschappen niet zeldzaam. In de keientuin in Borger liggen twee grote zwerfblokken van dit gesteente.

 

Sommige zwerfsteensoorten hebben namen die bij liefhebbers een bijna magische klank hebben. Vaak komt dit door zeldzaamheid, uiterlijk en of samenstelling. In rhombenporfier is het de combinatie van deze kenmerken.

De bijzondere klank van rhombenporfier is vooral te danken aan zijn zeldzaamheid en zijn herkomst. Langs een diep reikend breuksysteem in de aardkorst, zijn in het Laat-Carboon en vooral in het Perm, zo'n 280 miljoen jaar geleden,  in Zuid-Noorwegen, een groot aantal bijzondere gesteenten ontstaan. Rhombenporfier is daar één van.

Mondiaal gezien is rhombenporfier bijzonder zeldzaam. Rhombenporfieren komen behalve in Noorwegen voor in Kenia en op Antarctica, verder nergens. Het gesteente ontstond uit lava dat via spleten over het aardoppervlak uitvloeide. Iedere lava-uitvloeiing leverde een rhombenporfier op met kenmerken die van andere afweken. In het Oslo-gebied heeft men zo'n 23 aparte lavadekken gevonden met idem zoveel typen rhombenporfier. Daarnaast komt rhombenprofier voor als spleetvullingen in het omringende, veel oudere gesteente. Sommige rhombenporfiergangen zijn tientallen kilometers lang. 

Het uiterlijk van rhombenporfier is karakteristiek. In een dichte tot fijnkorrelige grondmassa 'zweven' tal van onregelmatige, meest spoel- en ruitvormige veldspaateerstelingen. Aantal en vorm wisselen enorm. In verweerde vorm contrasteren de eerstelingen sterk met de matrix. 

Radmansö-gabbro

Quetschstein

Stenen hebben namen, dat weet iedereen. Denk maar aan graniet of Dala-zandsteen. Afhankelijk van kleur, structuur, samenstelling of herkomst komt daar vaak nog iets bij. 

Het benoemen van zwerfstenen biedt liefhebbers meer vrijheid als bij planten, vogels of paddestoelen. Zo kun je een zwerfsteen gevonden hebben waarvan de herkomst in Scandinavië bekend is. Een gidsgesteente dus. Zo'n naam staat in de aanhef hierboven vermeld: Rådmansö-gabbro.

De steen op de foto is afkomstig uit de provincie Uppland, noordwestelijk van Stockholm in Zweden. Rådmansö-gabbro is een karakteristiek, grijswit gesteente met verspreid voorkomende, kleine en grotere groenzwarte vlekjes. Het vele wit is plagioklaas, een veldspaatsoort die chemisch wit verweerd. De grote hoeveelheid plagioklaas is reden om deze steen ook leuco-gabbro te mogen noemen (Gr. leucos=wit). Veldspaat-gabbro mag ook, dit omdat gabbro's doorgaans gesteenten zijn met veel donkere mineralen. De donkere pitten in de steen zijn van amfibool ofwel hoornblende. De groenzwarte kleur en de hier en daar geringde structuur plus de vezelige structuur van de hoornblende duidt op chemische omzetting.

Gabbro's zijn doorgaans opgebouwd uit veel donkere, ijzer- en magnesiumrijke mineralen plus een wisselend percentage plagioklaas. Die donkere mineralen bestaan uit pyroxeen (=augiet). Veel van onze zwerfsteengabbro's zijn geologisch gezien erg oude gesteenten. In de loop van de tijd zijn vluchtige stoffen via microporiën door het gesteente gediffundeerd. Door opname van water is augiet veelal omgezet in hoornblende en wel in de vorm van actinoliet. Dit mineraal is groenzwart - bij verwering vaak groengrijs - en bezit onder de loep een vezelige structuur. Vaak is hierbij sprake van ringvorming (corona's). Dit omzettingsproces heet 'oeralitisatie'. Vandaar dat chemisch omgezette zwerfsteengabbro's wel 'oeraliet-gabbro' genoemd worden. Dit type gabbro komt heel veel voor, vooral in het Hondsrug-gebied.

Chemische omzetting is in feite een vorm van metamorfose, veroorzaakt door hydrothermale processen in de aardkorst. Gabbro's die dit ondergaan hebben, en nogmaals dit zijn de meeste zwerfsteengabbro's, zijn daarom eigenlijk metamorfe gabbro's. Meta-gabbro's dus.

 

Hoewel zijn naam anders doet vermoeden, is deze steen niet van Duitse origine. Er is gewoon geen goede Nederlandse naam voor. Ja, gekwetste steen of zoiets. Maar dit bekt niet.

Quetschsteine zijn gebroken en weer aaneengekitte stenen, meestal van kalksteen, want het bindmiddel is kalk dat uit circulerend grondwater is uitgescheiden.

Quetschsteine komen voor in een keileemtype dat op de Hondsrug op een aantal plaatsen voorkomt, o.m. op de noordelijke Hondsrug tussen Haren en Groningen. Deze keileem bevat enorm veel stenen. Keileem en stenen zijn door de Hondsrug-IJsstroom op het laatst van de Saale-ijstijd hier afgezet.

Hoogstwaarschijnlijk bevonden keileem en stenen zich op een hoger niveau in het gletsjerijs, want sinds Letland in de Oostzee heeft deze morene geen contact meer met de ondergrond gehad.Smeltprocessen op en in het ijs hebben de keileem deels uitgespoeld. Zand, grind en stenen zijn in het ijs door smeltwater gesorteerd en in lagen, pakketten naast en boven elkaar afgezet. Tegelijkertijd ontstonden onregelmatige opeenhopingen, zeg maar stenenbanken en dito pakkingen met louter grotere zwerfkeien.

Tijdens het transport, maar vooral tijdens het afsmelten van het ijs van de Hondsrug-ijsstroom is dit glaciale materiaal door en langs het gletsjerijs naar beneden gezakt/gevloeid en op een onderlaag van andere Hondsrugkeileem terechtgekomen.

Door gewicht, ijsdruk en afglijding zijn vooral kalkstenen door hun buurstenen gekraakt en kapot gedrukt. De brokstukken bleven bij elkaar omdat deze geen kant op konden. Het zeer kalkrijke water in keileem en keienpakkingen heeft deze Quetschsteine weer geheeld. Het zijn dus simpelweg kalksteenbreccies, maar op een heel bijzondere manier ontstaan. Quetschsteine heb je in allerlei groottes. Ook hoe ze er uit zien en in welke mate ze gebroken zijn verschilt nogal.