Stromatoporen

Stromatoporen vormen een groep uitgestorven organismen, die men lange tijd voor hydrozoën hield. Hydrozoën zijn holtedieren die verwant zijn aan koralen. Tegenwoordig beschouwt men stromatoporen op grond van de bouw van het kalkskelet als een aparte groep sponzen. Rekende men ze eerst tot de Sclerospongiae (koraalsponzen), tegenwoordig heeft men ze in een aparte orde ondergebracht binnen de klasse van Demospongiae (demosponzen). 

Reconstructie van het zeeleven tijdens het Siluur. Vooraan rechts een stromatopoor met astrorhizae, de uitstroomopeningen van deze sponzen. Linksboven vooral rugose koralen met daarachter een franje van zeelelies. Tabulate koralen vormen de platte vormen in de tekening. Rechtsboven, zwevend in het water een othoceras.  (Tekenaar is Zdenek Burian)

Stromatoporen leefden vooral in de ondiepe kustzones van warme zeeën tijdens het Palaeozoïcum. Tot voor kort ging men er van uit dat de eerste stromatoporen tijdens het Ordovicium ten tonele verschenen. Inmiddels is duidelijk dat ze al in het Cambium voorkwamen. Hun bloeitijd ligt echter in het Laat-Ordovicium, Siluur en het Devoon. Fossiele stromatoporen zijn ook bekend uit het Mesozoicum. Zelfs uit het Oligoceen (=Tertiair) zijn fossielen bekend. Onduidelijk is of stromatoporen uitgestorven zijn.

Tijdens het Siluur en het Devoon waren stromatoporen belangrijke rifbouwers. Op het Zweedse Oostzee-eiland Gotland zijn stromatoporenriffen op een indrukwekkende wijze langs de westkust ontsloten. Ook de fossiele riffen op het Estische eiland Saarema zijn in hoofdzaak door stromatoporen opgebouwd. Koralen vormen in de riffen een minderheid. 

Stromatopoor (Densastroma) - Sproge, Gotland

In (sterk) mergelige afzettingen, die aan de westkust van Gotland zogenaamde 'interreef deposits' (=gelaagde mergel- en kalkafzettingen) vormen, komen tal van stromatoporen voor, samen met tabulaten en solitaire rugosa. Door de hoge slibbelasting in hun leefomgeving bezitten de stromatoporen en ook tabulate koralen meest halfbolvormige tot kegelvormige vormen.

Stromatopoor - Holmhallar, Gotland

De onderzijde van deze stromatopoor laat een groot aantal concentrische groeizones zien. Het zijn latilamina. Deze veroorzaken de grof gelaagde bouw van stromatoporen. Het zijn groeistadia die waarschijnlijk het gevolg zijn van seizoensinvloeden.

Bij zwerfsteenverzamelaars staan stromatoporen niet hoog aangeschreven. Vaak laat men ze links liggen. Deels komt dit door hun algemeenheid. In de kalksteenrijke keileem in het Hondsruggebied in Groningen en Drenthe komen stromatoporen bijzonder veel voor. Belangrijker nog is dat de meeste fossielenliefhebbers soorten en genera niet herkennen of van elkaar weten te onderscheiden. Het blijft bij hen meestal bij de aanduiding 'stromatopoor'. 

Het ontbreken van van toegankelijke literatuur over stromatoporen is bij determinatiepogingen een handicap. Zwerfsteenstromatoporen worden in hobbyliteratuur, op een enkele bijdrage na, slechts op summiere wijze beschreven. Dit alles nodigt niet uit tot enthousiast verzamelen.

Stromatopoor (Densastroma) - Zwerfsteen van Selwerd, Groningen

Door verwering in de bodem verandert de buitenzijde van een zwerfsteenstromatopoor in een korrelige, poederig afgevende kalkmassa. De gelaagdheid die stromatoporen kenmerkt, komt bij deze zwerfsteen fraai tot uitdrukking

Stromatopoor - Zwerfsteen van Groningen

Stromatoporen zijn met de hamer makkelijk te splijten. Bijna altijd verloopt het breukvlak langs latilamina. Het bobbelige oppervlak wordt veroorzaakt door mamelonen. Dit waren kleine verhevenheden op het oppervlak van het sponsskelet, aan de top waarvan zich de uitstroomopeningen van het spons-organisme zich bevonden.

Stromatopoor - Zwerfsteen van het Engels Kamp, Groningen

De dichte structuur van de meeste stromatoporen laat meestal geen determinatie toe. Pas na het etsen komt de fijne skeletstructuur te voorschijn.

Op de Oostzee-eilanden Gotland (Zweden), Saaremaa, Hiiuma en Vormsi (Estland) komen stromatoporen in fossiele riffen en kalkmergel-afzettingen bijzonder veel voor. De algemeenheid onder kalkzwerfstenen is hiervan een afspiegeling. De fossiele riffen op deze eilanden zijn in feite stromatoporenriffen en geen koraalriffen, zoals vaak gedacht wordt.

Högklint op Gotland, zuidelijk van Visby

Met zijn 48 meter hoogte is dit fossiele stromatoporenrif het hoogte punt op Gotland. De massieve rifkalksteen is ontstaan op gelaagde kalksteen met inschakelingen van mergelkalk. Dit sedimentpakket is door het gewicht van het kalksteenrif ingedrukt. Het imposante rif wordt aan weerszijden begrensd door sterk gelaagde mergel/kalk-afzettingen.

Steenstrand noordelijk van Högklint op Gotland

Omdat je op Gotland niet meer in kalkrotsen mag hakken, zijn de stranden ware 'Fundgruben' voor allerhande fossielen. De meerderheid van de grijswitte stenen op het strand zijn afgeronde stromatoporen en tabulate koralen. Daartussen talrijke meer afgeplatte kalkstenen, waar veel fossielen in te vinden zijn. 

Klifkust bij Ireviken op Gotland

In de sterk gelaagde, mergelige kalken bij Ireviken, in het noorden van Gotland, zijn bijzonder veel fossielen te vinden. Vooral op de schuine puinhellingen zijn veel losse stromatoporen, tabulate koralen en rugose koralen te vinden. Liefhebbers van klein spul (mesofossielen) kunnen hier hun hart ophalen. 

Raukar bij Langhammers op Gotland

Raukar zijn grillige, bij avond ietwat spookachtige kalksteenvormen. Het zijn erosieresten van rifkalk, die vooral opgebouwd zijn uit opeen gestapelde en met elkaar vergroeide stromatoporen.

Raukar op Farö op Noord-Gotland

Dit is waarschijnlijk een van de fotogeniekste raukarvormen die op Gotland te vinden zijn. Er is niet veel fantasie voor nodig om hierin een hond te herkennen, die achterom kijkt.

In de riffen vormen stromatoporen vaak massieve stapelingen van vergroeide kolonies, niet zelden vele meters van omvang. De vele raukar op het eiland Gotland getuigen hiervan. Raukar zijn geïsoleerde erosieresten van kalksteen, meestal stromatoporen, die op verschillende plaatsen langs de kust grillige rotsformaties vormen. Op de steenstranden kan men te kust en te keur gaan, afgerond en wel liggen stromatoporen er bij duizenden. Er zijn echter maar weinigen die ze daar verzamelen. Fraaier, want veelal onbeschadigd, raapt men ze op aan de voet van kalkmergelkliffen. Helaas is het determineren, ook in onbeschadigde vorm, een moeilijke klus. De soortenbehandeling in dit hoofdstuk hoopt daarom wat licht te brengen in de voor velen duistere wereld van deze groep fossiele sponzen.

Behalve het uiterste zuiden, waar bij Burgsvik een pakket zandsteen voorkomt, bestaat vrijwel het hele eiland uit fossielrijke kalksteen uit het Siluur. Vooral de meer dan 60 km lange klifkust aan de westkant van het eiland is voor fossielenzoekers een waar dorado.